Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/341
Opleggen levenslange gevangenisstraf is niet in strijd met art. 3 EVRM. Gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel. Naaste in de zin van art. 6:108 lid 4 onder g BW.
HR 10-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:177
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10 februari 2026
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, T. Kooijmans
- Zaaknummer
24/03021
- Conclusie
A-G mr. V.M.A. Sinnige
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Materieel strafrecht / Sancties
Strafprocesrecht / Tenuitvoerlegging
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:177, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑02‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:1233, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑11‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑12‑2024
- Wetingang
Art. 3 EVRM; art. 6:4:20, 361 lid 4 Sv; art. 36f lid 5, art. 57, 58, 289 Sr; art. 6:107, 6:108 BW
Essentie
Het opleggen van levenslange gevangenisstraf aan de verdachte is niet in strijd met art. 3 EVRM.
De benadeelde partij (oma van slachtoffer) kan niet worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van art. 6:108 lid 4 onder g BW. De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit NJ 2025/281 over de verenigbaarheid van de Nederlandse regeling van de oplegging en de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf met de eisen die art. 3 EVRM stelt.
Samenvatting
Het hof heeft een levenslange gevangenisstraf opgelegd, gelet op onder meer de aard en ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.