Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/344
Mishandeling. Toewijzing vordering tot vergoeding van immateriële schade is niet zonder meer begrijpelijk.
HR 10-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:48
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10 februari 2026
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T. Kooijmans, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
24/01143
- Conclusie
A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:48, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑02‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:1309, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑12‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑08‑2024
- Wetingang
Art. 6:106 BW
Essentie
Mishandeling. Het hof heeft de vordering tot vergoeding van immateriële schade toegewezen omdat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk.
Samenvatting
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de benadeelde partij meermalen tegen het gezicht heeft gestompt. Daarnaast heeft het overwogen dat uit het dossier niet volgt dat de benadeelde partij als gevolg daarvan ‘(objectief waarneembaar) letsel heeft bekomen’. Vervolgens heeft het ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.