Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/345
Hof had moeten onderzoeken of aan in Frankrijk wonende en niet verschenen Kroatische verdachte vertaling van de dagvaarding cfm art. 36e lid 3 Sv is verstrekt.
HR 10-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:219
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10 februari 2026
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, T. Kooijmans, T.B. Trotman
- Zaaknummer
24/02328
- Conclusie
A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:219, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑02‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:1312, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑12‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑11‑2024
- Wetingang
Art. 5 Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, PbEG 2000, C 197/3 (EU-Rechtshulpovereenkomst); art. 36e lid 3 Sv; art. 588 (oud) Sv; art. 36f, 420quater lid 1 sub b Sr
Essentie
Nu uit de stukken niet volgt dat aan de in Frankrijk wonende verdachte met de Kroatische nationaliteit een vertaling van de dagvaarding in hoger beroep is verstrekt, moet ervan worden uitgegaan dat dit, in strijd met art. 36e lid 3 Sv, niet is gebeurd. Het hof had er daarom blijk van moeten geven dat het heeft onderzocht of er reden was het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om dit verzuim te herstellen. Van zo’n onderzoek blijkt niet.
Samenvatting
Op grond van art. 36e lid 3 Sv en gelet op de wetsgeschiedenis van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.