RvdW 2025/1168:Medeplegen voortgezette handeling van oplichting, begaan door rechtspersoon (art. 326 lid 1 Sr). 1. Kon hof oordelen dat verdachte eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM heeft gehad ondanks ontbrekende stukken in dossier? 2. Afwijzing van getuigenverzoeken o.g.v. noodzaakcriterium. 3. Bewijsklacht. Vindt ‘oogmerk om zich of ander wederrechtelijk te bevoordelen’ voldoende steun in bewijsvoering? 4. Bewijsklachten listige kunstgrepen en bewegen tot. Is sprake van ‘listige kunstgrepen’ en blijkt uit bewijsvoering dat A (voorzitter van raad van commissaris van energiebedrijf) door deze gedragingen is ‘bewogen tot’ afgifte van gelden? 5. Kunnen gedragingen van B (directeur van energiebedrijf en grootaandeelhouder van verdachte) worden toegerekend aan verdachte? 6. Strafmotivering (geldboete van € 450.000). Kon hof een geldboete uit naastgelegen hogere categorie a.b.i. art. 23 lid 7 Sr opleggen? HR: art. 81 lid 1 RO. Samenhang met RvdW 2025/1165, RvdW 2025/1166 en RvdW 2025/1167.