RvdW 2025/1185:Zedenzaak. Ontucht met (meermalen gepleegd) en verkrachting van (meermalen gepleegd) zijn 2 minderjarige stiefdochters, art. 242 (oud), art. 244 (oud), art. 247 (oud) en art. 248 lid 2 (oud) Sr. Bewijsminimum, art. 342 lid 2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefsters voldoende steun in ander bewijsmateriaal? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 13 juli 2010, NJ 2010/515, m.nt. M.J. Borgers, m.b.t. bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv. ’s Hofs oordeel dat verklaringen van A over de onder 2, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten (ontucht en verkrachting) en die van B over het onder 6 bewezenverklaarde feit (ontucht) steeds voldoende steun vinden in overige door hof gebruikte bewijsmiddelen, is niet zonder meer begrijpelijk. Daarvoor is van belang dat hof als steunbewijs voor verklaringen van A acht heeft geslagen op inhoud van behandelverslagen, terwijl die verslagen uitsluitend betrekking hebben op gesprekken die A met psycholoog heeft gevoerd over wat zij heeft meegemaakt. Ook is zonder nadere motivering niet duidelijk waarom door hof genoemde onderdelen van verklaringen van moeder van A en B, te weten dat verdachte het niet goed vond dat A met haar vriendinnen op vakantie ging, dat verdachte grote hoeveelheden bier per dag dronk en dat A vaak thuisbleef bij verdachte tijdens familiebezoeken, ondersteuning bieden aan aangifte van A. Hof heeft daarnaast i.v.m. verklaringen van B uitsluitend acht geslagen op verklaringen van moeder van A en B, terwijl deze verklaringen volledig berusten op wat B aan haar heeft verteld. Uit overwegingen van hof volgt ook niet of en, zo ja, hoe hof omstandigheid in zijn beoordeling van bewijs heeft betrokken dat 2 aangeefsters — los van elkaar — verklaringen hebben afgelegd over tegen henzelf door verdachte gepleegde seksuele misdrijven. Volgt vernietiging en terugwijzing.