RvdW 2026/354:Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen bedrijfsmatige hennepteelt (in periode 2 december 2015 tot en met 23 december 2015) en ‘andere strafbare feiten’ (medeplegen hennepteelt in periode 1 maart 2013 tot en met 1 december 2015), art. 36e lid 2 Sr. Zijn er ‘voldoende aanwijzingen’ dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit medeplegen hennepteelt voorafgaand aan de in strafzaak bewezenverklaarde periode? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 29 september 2020, NJ 2021/46, m.nt. J.M. Reijntjes en HR 12 oktober 2021, RvdW 2021/1029, m.b.t. eisen aan vaststelling dat voldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door betrokkene zijn begaan a.b.i. art. 36e lid 2 Sr. Hof heeft geoordeeld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene, naast het in strafzaak bewezenverklaarde feit (medeplegen bedrijfsmatige hennepteelt in periode van 2 december 2015 tot en met 23 december 2015) andere strafbare feiten heeft begaan (medeplegen hennepteelt in periode van 1 maart 2013 tot en met 1 december 2015). Voldoende aanwijzingen dat betrokkene die feiten al voor 2014 heeft begaan, kunnen echter niet z.m. worden afgeleid uit de door hof in aanmerking genomen f&o (in motivering schatting w.v.v.). Gelet hierop is oordeel van hof ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met RvdW 2026/353 en met 23/04299 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).