RvdW 2026/363:Onderzoek Vidar. Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. uitvoer van amfetamine naar Denemarken en Finland (art. 10a lid 1 jo. art. 10 lid 5 Opiumwet), medeplegen uitvoer van amfetamine naar Finland (art. 2 onder A Opiumwet), eendaadse samenloop van deelneming aan criminele drugsorganisatie (art. 11b lid 1 jo. art. 10 lid 5 Opiumwet) en deelneming aan criminele organisatie (art. 140 lid 1 Sr) en medeplegen gewoontewitwassen (art. 420ter lid 1 jo. art. 420bis lid 1 onder b Sr). 1. Gebruik van bewijsmateriaal dat (in)direct afkomstig is van ‘criminele burgerinfiltrant’ (A-4110). 2. Kon hof oordelen dat bij inzet van A-4110 is voldaan aan eisen die gelden voor inzet van criminele burgerinfiltrant? 3. Kon hof oordelen dat bewijsmateriaal dat is verkregen door inzet van A-4110 betrouwbaar is? 4. Kon hof oordelen dat (verklaringen van) getuige betrouwbaar zijn en gebruikt kunnen worden voor bewijs? 5. Kon hof oordelen dat sprake is van ‘buiten grondgebied van Nederland brengen’ a.b.i. art. 1 lid 5 Opiumwet? HR: art. 81 lid 1 RO onder verwijzing naar HR 10 februari 2026, RvdW 2026/339, t.a.v. inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’. Samenhang met NJ 2026/100, RvdW 2026/339, RvdW 2026/340, RvdW 2026/364, RvdW 2026/365 en RvdW 2026/366 en met 24/02861 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).