Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/6.4.2
6.4.2 Ongelijkheidscompensatie
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583401:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 2.
Rb. ’s-Hertogenbosch 29 april 2010, ECLI:NL:RBSHE:2010:BM4630, r.o. 2.6.
In deze uitspraken werd overigens wel een concrete koppeling met de maatschappelijke positie van partijen gemaakt.
Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11226, r.o. 4.9; Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11232, r.o. 4.9.
Hof ’s-Hertogenbosch (vzr.) 19 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3105, r.o. 6.10.3.
Hof ’s-Hertogenbosch (vzr.) 19 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3105, r.o. 6.10.3. Zie ook r.o. 6.8.8. Deze rechtsoverweging is in feite tegengesteld aan de eerder (onder paragraaf 6.4.1) aangehaalde uitspraak van het Hof Amsterdam, waarin juist betekenis werd toegekend aan het feit dat de werkenden niet duidelijk hadden gemaakt dat zij wel een arbeidsovereenkomst beoogden te sluiten (hof Amsterdam 10 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2384, tevens JAR 2018/198 m.nt. S. Said, r.o. 3.9).
Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11226, r.o. 4.6; Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11230, r.o. 4.6; Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11232, tevens JAR 2016/6 m.nt. Van Zanten-Baris, r.o. 4.6; Rb. Midden-Nederland 6 januari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:85, r.o. 4.6; Rb. Oost-Brabant 12 januari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:81, r.o. 4.4; Rb. Oost-Brabant 12 januari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:83, r.o. 4.4.
In dit onderzoek wordt overigens aangenomen dat de maatschappelijke positie van de werkende (onder meer) kan worden afgeleid uit de mate waarin de werkende economische (on)afhankelijk is. Zie hierna onder: ii. Specifieke uitwerking van het beginsel ongelijkheidscompensatie.
Hierbij zijn de volgende zoektermen gebruikt: afhankelijk(e), afhankelijkheid, (on)gelijk(e), (on)gelijkheid, economisch(e), financieel, levensonderhoud. Tevens is in de onderzochte uitspraken ‘handmatig’ bekeken of op een andere wijze werd stilgestaan bij dit onderdeel.
Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11226, r.o. 4.27; Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11232, r.o. 4.27, onderstreping SS.
Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11226, r.o. 4.29; Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11232, r.o. 4.29.
Hof ’s-Hertogenbosch 17 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4571, r.o. 3.12.
Hof ’s-Hertogenbosch (vzr.) 19 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3105, r.o. 6.10.2. Overigens kwam het hof uiteindelijk tot het (voorshandse) oordeel dat sprake was van een arbeidsovereenkomst, nu de werkgever er niet in was geslaagd het rechtsvermoeden van art. 7:610a BW te ontkrachten.
Zie hierover bijvoorbeeld het onderzoeksrapport Afhankelijkheid in het MKB (EIM, 2009). Zie over de moderniserende arbeidsmarkt en de positie van de zelfstandige onder meer Beltzer, ArA 2015/9; en over de ‘afhankelijke’ zzp’er Boot, TRA 2012/84 en (in reactie daarop) Westerveld, TRA 2013/46. Zie over de ‘ondernemende werknemer’ tevens Trap, ArbeidsRecht 2000/45. Zie over de verwachtingen voor de toekomst onder meer: De toekomst werkt. Mens en bedrijf in 2020 (TNO, 2007) en Stegeman & Piljic, TvHRM 2011/4. Ook de sterk toenemende digitalisering draagt bij aan de veranderende arbeidsmarkt, zie hierover onder meer Houwerzijl, TRA 2017/4 en Mens en technologie: samen aan het werk (SER, 2016).
Hof Arnhem-Leeuwarden 22 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2417, r.o. 5.6.
Hof ’s-Hertogenbosch (vzr.) 19 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3105, r.o. 6.10.1-3.
Hierbij zijn de volgende zoektermen gebruikt: activiteiten, bedrijf(svoering), collega(‘s), inbedding, ingebed, medewerker(s), organisatie, organisatorisch, personeel, structureel, structurele, werknemer(s), wezenlijk (onderdeel). Tevens is in de onderzochte uitspraken ‘handmatig’ bekeken of op een andere wijze werd stilgestaan bij dit onderdeel.
Zie bijvoorbeeld: Hof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2199, tevens JAR 2014/173 m.nt. J. Dop, r.o. 10; Rb. Amsterdam 14 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3420, r.o. 13. Dat sprake was van ondergeschiktheid in organisatorische zin leidde overigens niet zonder meer tot het oordeel dat sprake was van een arbeidsovereenkomst, zie bijvoorbeeld: Hof ’s-Gravenhage 16 september 2005, ECLI:NL:GHSGR:2005:AU4037, r.o. 6.1.2-6.1.3; Hof Amsterdam 3 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2271, r.o. 3.7.
Rb. Amsterdam 2 december 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:8881, r.o. 10.
Zie bijvoorbeeld: Rb. Midden-Nederland 13 mei 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:3461, r.o. 4.5.
Zie bijvoorbeeld: Rb. Amsterdam 14 januari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:152, r.o. 19. Zie tevens: Rb. Amsterdam 14 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3420, r.o. 13, waarin werd overwogen dat de werkende aan dezelfde mate van zeggenschap onderworpen was als in de tijd waarin zij als werknemer (voor dezelfde werkverschaffer) werkzaam was.
Rb. Midden-Nederland 15 januari 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:551, r.o. 5.5. Zie in gelijke zin: Rb. Rotterdam 12 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2013, r.o. 4.5; Hof Amsterdam 30 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:318, tevens RAR 2018/76, r.o. 3.10.
Rb. Utrecht (vzr.) 12 december 2008, ECLI:NL:RBUTR:2008:BG9194, tevens JAR 2009/31, r.o. 4.1.4.
Rb. Amsterdam 13 november 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BG4326, r.o. 4.2.
Rb. Rotterdam 21 mei 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BN0725, r.o. 4.5.
Jacobs, NJB 1994, p. 104. Zie hierover kritisch: Trap, ArbeidsRecht 2000/45. Hoewel het voorstel van Jacobs in de literatuur niet bijzonder veel bijval heeft gekregen, is de hier geschetste gedachtegang ook terug te zien in de meer recent gedane (wets)voorstellen die zijn gedaan met het oog op de kwalificatie van de arbeidsrelatie in het fiscaal recht en socialezekerheidsrecht. In dat verband is onder meer geopperd om een Arbeidsovereenkomst bij een Laag Tarief (ALT) in te voeren, waarbij bij een laag tarief (15 tot 18 euro per uur) altijd sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst. In 2021 opperde de SER voor het introduceren van een rechtsvermoeden van werknemerschap bij een tarief onder het maximumdagloon (€ 30 á € 35 per uur), zie: SER 2021, p. 12. Zie verder: paragraaf 7.2.1.3 en paragraaf 8.7.
Hierbij zijn de volgende zoektermen gebruikt: aard, arbeid, eenvoudig(e), functie, hoog, hoge, laag, laaggeschoold(e), lage, productie(gehalte). Tevens is in de onderzochte uitspraken handmatig bekeken of op een andere wijze werd stilgestaan bij de aard van de arbeid.
Hof Den Haag 27 september 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3039, r.o. 3.6.
Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11226, r.o. 4.9 (toevoeging SS); Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11232, tevens JAR 2016/6 m.nt. Van Zanten-Baris, r.o. 4.9.
Hof Arnhem 14 april 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BJ1987, r.o. 5.5.
Hof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:183, r.o. 4.8.
Rb. Rotterdam 23 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6155, tevens JAR 2019/212, r.o. 5.4.3.
Trap, ArbeidsRecht 2007/24.
In het socialezekerheidsrecht en fiscaal recht kan in dergelijke gevallen (onder voorwaarden) overigens wel sprake zijn van een fictieve dienstbetrekking, zie verder: paragraaf 7.2.2.
Hierbij zijn de volgende zoektermen gebruikt: ondernemer, onderneming, ondernemend, ondernemersvrijheid, ondernemingsvrijheid, ondernemersrisico, ondernemingsvrijheid, vrijheid, zelfstandig(e), zelfstandigheid. Overigens geldt voor deze categorie (meer dan voor de andere categorieën) dat een verwijzing naar ondernemerschap ook in andere bewoordingen kan terugkomen. De onderzochte uitspraken zijn dan ook eveneens ‘handmatig’ gescand op eventuele andere verwijzingen naar dit onderwerp.
Zie bijvoorbeeld: hof Arnhem-Leeuwarden 17 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6621; Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11226; Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11230; Rb. Midden-Nederland 6 januari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:85.
Zie bijvoorbeeld: Rb. Oost-Brabant 12 januari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:83; Rb. Amsterdam 14 januari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:152; Rb. Amsterdam 14 januari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:153; Hof Arnhem-Leeuwarden 17 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6621.
Een en ander werd in diverse PostNL-uitspraken overwogen, zie bijvoorbeeld: Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11232; Rb. Midden-Nederland 6 januari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:85.
Zie bijvoorbeeld: hof Amsterdam 30 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:314; hof Arnhem-Leeuwarden 31 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6957; Rb. Limburg 1 maart 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:2029; Rb. Amsterdam 23 juli 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5183.
Zie bijvoorbeeld: hof Amsterdam 5 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2686, tevens JAR 2016/291; Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11226; Rb. Amsterdam 11 juli 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:4521.
Rb. Noord-Holland 17 februari 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:882, r.o. 3.8.
Zie: Rb. Amsterdam 11 juli 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:4521, r.o. 7 (een ‘klein jaar’ werkzaam als zelfstandige); Rb. Amsterdam 14 januari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:153, r.o. 19 (reeds sinds 1989 werkzaam als zelfstandige. Per abuis zijn alle rechtsoverwegingen onder ‘Het verzoek van [verzoeker] in de hoofdzaak (EA 15 - 1190)’ genummerd als r.o. 19, bedoeld wordt de tiende overweging onder deze kop.); Rb. Midden-Nederland 6 januari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:85, r.o. 4.24 (reeds een aantal jaar werkzaam als zelfstandige); Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11230, r.o. 4.25 (circa een jaar werkzaam als zelfstandige). Dit betekent overigens niet dat a contrario kan worden geredeneerd dat wél sprake is van arbeidsovereenkomst in geval men pas vlak voor het sluiten van de overeenkomst zelfstandig ondernemer werd, vergelijk: Rb. Oost-Brabant 12 januari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:83, waar het een bezorger betrof die drie maanden voordat hij voor PostNL begon te werken een eigen onderneming had opgericht, maar waar de rechtbank op basis van een weging van alle feiten en omstandigheden tot het oordeel kwam dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst (zie o.a. r.o. 4.4 tot en met 4.6).
Zie: Hof Amsterdam 5 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2686, tevens JAR 2016/291, r.o. 3.3 en Rb. Oost-Brabant 12 januari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:81, r.o. 4.10.
Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11226, r.o. 4.27.
Rb. Midden-Nederland 30 mei 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2360, r.o. 4.3.
Hierbij zijn de volgende zoektermen gebruikt: (on)bewust, (onder)handelen, gehandeld, gerealiseerd, gevolgen, geweten, positie, weten, wist. Tevens is in de onderzochte uitspraken ‘handmatig’ bekeken of op een andere wijze werd stilgestaan bij dit onderdeel.
Bles 1907, Deel I, p. 224-225 (Antwoord der Regeering), zie tevens: paragraaf 3.3.1.
Zie o.a.: Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11230, r.o. 28; Rb. Limburg 1 maart 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:2029, r.o. 4.19.
Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11226, r.o. 4.27; Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11232, r.o. 4.27; Rb. Amsterdam 14 januari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:152, r.o. 19; Rb. Amsterdam 14 januari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:153, r.o. 19.
Hof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:183, r.o. 4.11. Hier werd ook betekenis toegekend aan het feit dat de jurist in kwestie zich had laten bijstaan door een advocaat.
Rb. Rotterdam 23 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6155, tevens JAR 2019/212, r.o. 5.4.3, zie tevens paragraaf 6.4.1.
Hof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:183, r.o. 4.11; Rb. Den Haag 14 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:5420, r.o. 4.4.
Rb. Amsterdam 14 november 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:9598, r.o. 4.5.
Rb. Haarlem (vzr.) 19 februari 2008, ECLI:NL:RBHAA:2008:BC5078, r.o. 6; Hof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:183, r.o. 4.10.3.
HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495, tevens NJ 1998, 149, r.o. 3.4 (Groen/Schoevers), onderstreping SS. Zie in gelijke zin: Bennaars, position paper 2018, p. 7.
In dit rechtspraakonderzoek is voorts in kaart gebracht of het beginsel ongelijkheidscompensatie in de onderzochte uitspraken terugkwam, en zo ja, op welke wijze. Een algemene verwijzing (categorie a) werd niet alleen aanwezig geacht wanneer de term ‘ongelijkheidscompensatie’ werd gebezigd, maar ook wanneer in meer algemene zin werd verwezen naar het beschermingsbeginsel, dan wel de beschermingsfunctie van het arbeidsrecht.1 Niet nader omklede verwijzingen naar de maatschappelijke positie van partijen zijn eveneens als algemeen aangemerkt.
Ook hier geldt dat kan worden getwist over het (al dan niet) algemene karakter van een dergelijke verwijzing: immers ligt hierin besloten dat de (on)gelijkheid van partijen van maatschappelijke aard is. Tegelijkertijd geldt dat de maatschappelijke positie van partijen een semi-vast onderdeel is van de kwalificatieformule uit Groen/Schoevers. Uitspraken waarin de maatschappelijke positie van partijen uitsluitend werd genoemd als onderdeel van de uit Groen/Schoevers voortvloeiende rechtsregel, bevatten dus weinig concrete informatie over het beginsel ongelijkheidscompensatie, zodat (alsnog) voor deze algemene categorisering is gekozen.
In de onderzochte rechtspraak kwam op dit onderdeel het volgende beeld naar voren:
Bevat de uitspraak een vermelding van het beginsel ‘ongelijkheidscompensatie’?
Aantal uitspraken
a.
Ja, de uitspraak bevat een vermelding van het beginsel ‘ongelijkheidscompensatie’
146
i.
De uitspraak bevat een algemene vermelding van het beginsel ‘ongelijkheidscompensatie’ (51 uitspraken)
ii.
De uitspraak bevat een specifieke uitwerking van het beginsel ‘ongelijkheidscompensatie’ (139 uitspraken)
b.
Nee, de uitspraak bevat geen vermelding van het beginsel ‘ongelijkheidscompensatie’
96
Nadat in kaart is gebracht in hoeveel uitspraken een vermelding van het beginsel ongelijkheidscompensatie terugkwam, is vervolgens onderzocht op welke wijze dit beginsel werd uitgelegd en geconcretiseerd.
i. Algemene vermelding van het beginsel ongelijkheidscompensatie
Zoals in het overzicht hiervoor is weergegeven, bevatten 51 uitspraken een algemene vermelding van het beginsel ongelijkheidscompensatie. Daarbij ging het in 38 uitspraken om een verwijzing naar de maatschappelijke positie van partijen als onderdeel van de Groen/Schoevers-formule. Deze categorie blijft hier verder onbesproken, nu aan die verwijzing op zichzelf weinig relevante inzichten kunnen worden ontleend.
In 14 uitspraken werd op enigerlei wijze aandacht besteed aan de beschermende functie van het arbeidsrecht. De beschermingsfunctie kwam met name aan bod bij de waardering van de partijbedoeling. Zo overwoog de rechtbank ’s-Hertogenbosch dat het beschermende karakter van het arbeidsrecht ertoe noopt ‘terdege te onderzoeken of met name de werknemer zijn wil in volle vrijheid heeft kunnen vormen’.2De werkende die zijn wil niet in volle vrijheid heeft kunnen vormen, dient derhalve tegen zichzelf te worden beschermd. In gelijke zin werd overwogen in een aantal PostNL-uitspraken die vanaf 2015 zijn gewezen, en waarin de beschermingsgedachte – veelal in vergelijkbare, en soms identieke bewoordingen – terugkwam.3 Hoe zwakker de positie van de pakketbezorger, des te eerder zou de toepassing van de beschermingsgedachte moeten leiden tot terughoudendheid bij het toekennen van gewicht aan de partijbedoeling. Zo werd in een aantal van deze uitspraken twijfelachtig geacht of de pakketbezorgers in kwestie zich bij het aangaan van de arbeidsrelatie hadden gerealiseerd in welke mate zij in de gegeven omstandigheden economisch afhankelijk van PostNL zouden raken. De financiële investering die de pakketbezorgers hadden gedaan door de aanschaf van een bezorgbus, in samenhang bezien met de aard van de arbeid – namelijk: ongeschoolde en laag betaalde arbeid met een hoog productiegehalte – noopte volgens de rechtbank tot ‘toepassing van de beschermingsgedachte van het arbeidsrecht, en tot terughoudendheid waar het betreft het toekennen van gewicht aan de (op schrift geformuleerde) partijbedoeling.’4
Het hof ’s-Hertogenbosch ging hierin zelfs iets verder, door niet alleen te onderzoeken of de werkende wel een opdrachtovereenkomst wilde aangaan, maar ook of en waarom de werkende daarvan zou willen afzien. Volgens het hof moest het sluiten van een opdrachtovereenkomst in beginsel door beide partijen gewenst zijn en moest dit hen beiden voordeel bieden.5 Wat dit voordeel voor de werkende in kwestie was, viel volgens het hof niet in te zien. Het enige belang dat zij daarbij kon hebben was dat zij anders geen werk en dus geen inkomen zou hebben gehad. Het hof zag hierin echter geen daadwerkelijk belang voor de werkende, en leek vervolgens tot uitgangspunt te nemen dat ‘by default’ sprake van een arbeidsovereenkomst zou moeten zijn:
‘Bovendien blijkt nergens uit dat [geïntimeerde], ware haar de keuze gelaten, niet voor een arbeidsovereenkomst zou hebben gekozen, al was het alleen al omdat zo’n overeenkomst meer rechtsbescherming biedt.’6
Het beginsel ongelijkheidscompensatie werd slechts in 7 uitspraken uitdrukkelijk genoemd. In 6 van deze uitspraken betrof het een geschil tussen PostNL en een pakketbezorger, waarin dit beginsel steeds in gelijke formuleringen terugkwam in de overwegingen:
‘In een situatie waarin partijen maatschappelijk en economisch als gelijkwaardig zijn te beschouwen, dient naar het oordeel van de kantonrechter meer gewicht te worden toegekend aan de partijbedoeling zoals deze blijkt uit de tussen hen gesloten overeenkomst(en), dan in een situatie waarin sprake is van maatschappelijke ongelijkheid en economische afhankelijkheid. In dat laatste geval zijn er immers minder argumenten om betrokkenen de ongelijkheidscompensatie van het arbeidsrecht te ontzeggen.’7
Uit deze overweging(en) valt op te maken dat voor ongelijkheidscompensatie enkel ruimte bestaat wanneer sprake is van een ongelijkheid die tot de hier bedoelde compensatie noopt. Interessant is dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen maatschappelijke ongelijkheid en economische afhankelijkheid:kennelijk wordt hier niet zonder meer aangenomen dat deze ongelijkheden in elkaars verlengde liggen.8 Voorts kan in de hiervoor aangehaalde overweging(en) worden gelezen dat ongelijkheidscompensatie volgens de hier aangehaalde rechters het uitgangspunt vormt. Pas wanneer tussen partijen sprake is van gelijkwaardigheid – in dit geval geduid als maatschappelijke gelijkheid en economische onafhankelijkheid – kan worden overwogen om aan hen de ongelijkheidscompensatie van het arbeidsrecht te ontzeggen.
ii. Specifieke uitwerking van het beginsel ongelijkheidscompensatie
Anders dan voor het beginsel partijautonomie, bevat dit onderzoek voor de uitwerking van het beginsel ongelijkheidscompensatie meerdere concrete aanknopingspunten. De 139 uitspraken waarin een specifieke uitwerking van het beginsel ongelijkheidscompensatie is geconstateerd laten zich als volgt categoriseren:
Indien de uitspraak een specifieke uitwerking van het beginsel ‘ongelijkheidscompensatie’ bevat, hoe werd dit beginsel dan geconcretiseerd?
Aantal uitspraken
a. Economische (on)afhankelijkheid van de werkende
36
b. Economische macht van de werkverschaffer
90
c. Kenmerken van de arbeid(er)
25
d. Kenmerken van ondernemerschap (of het gebrek daaraan)
96
e. (On)gelijkwaardige onderhandelingspositie
20
De resultaten worden hierna per onderdeel nader toegelicht.
a. Economische (on)afhankelijkheid werkende
Categorie a is onder meer ontleend aan de parlementaire geschiedenis van de Wet op de Arbeidsovereenkomst, waarin de economische ongelijkheid tussen werkgevers en werknemers meermaals is genoemd als rechtvaardiging voor het dwingendrechtelijke karakter van die wet. Zoals in paragraaf 3.3.1 is toegelicht bevat die economische ongelijkheid twee aspecten: de economische afhankelijkheid van de werkende van zijn inkomen uit arbeid, en de economische macht van de werkgever. Uit het laatstgenoemde aspect vloeit voort dat de werkgever vanuit zijn machtigere positie in staat is de arbeidsvoorwaarden te dicteren, zodat de werknemer zich in een (juridisch) ondergeschikte positie ten opzichte van de werkgever bevindt. In de hier besproken categorie zijn uitsluitend uitspraken ondergebracht die zagen op de economische afhankelijkheid: de afhankelijkheid van de werkende van zijn inkomen uit arbeid. De economische macht van de werkgever komt hierna onder b aan bod.
Het aantal uitspraken waarin de economische afhankelijkheid als een relevante omstandigheid werd aangehaald bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie was niet overweldigend groot: slechts in 36 van de in totaal 242 onderzochte uitspraken kwam een verwijzing naar dit element terug.9 Het gewicht dat aan dit element werd toegekend was wisselend. In sommige gevallen werd de betekenis van de economische (on)gelijkheid min of meer in het midden gelaten. Zo bracht de rechtbank Noord-Holland dit element in twee PostNL-uitspraken in verband met de onderhandelingsruimte. Hier werd overwogen dat het werken voor één opdrachtgever niet automatisch tot de conclusie leidt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar dat dit anders ligt wanneer deze ene opdrachtgever:
‘enerzijds zeer strakke kaders verstrekt waarbinnen de werkzaamheden dienen te worden verricht, terwijl anderzijds vanwege de economische afhankelijkheid nauwelijks tot geen ruimte bestaat om over die kaders te onderhandelen’.10
De rechtbank kwam vervolgens tot het oordeel dat de gekozen constructie leidde tot ‘een zodanige economische afhankelijkheid en gebrek aan zelfstandigheid’, dat de pakketbezorgers niet als zelfstandig ondernemers, maar als werknemers moesten worden beschouwd.11
In andere gevallen werd de betekenis van het hier besproken element uitdrukkelijk gerelativeerd. Zo overwoog het hof ’s-Hertogenbosch dat economische afhankelijkheid ‘strikt genomen geen kenmerkend element is van het bestaan van een arbeidsovereenkomst.’12 De voorzieningenrechter van hetzelfde hof leek de betekenis van dit element nog iets sterker te relativeren. Hoewel de voorzieningenrechter overwoog dat bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie acht moet worden geslagen op de hoedanigheid van contractspartijen, een en ander ‘in het licht van de economische afhankelijkheid en daaruit voortvloeiende ongelijkheidscompensatie’, overwoog het hof vervolgens ook:
‘Aan de stichting kan worden toegegeven dat in de huidige tijd, waarin veel mensen kiezen voor werk als freelancer of ZZP-er, die evenzeer afhankelijk zijn van het inkomen uit dat werk, dit argument van economische afhankelijkheid bij de beantwoording van de kwalificatievraag weinig gewicht in de schaal legt.’13
De opdrachtnemer die er bewust voor heeft gekozen om als zelfstandige werkzaam te zijn, kan dus niet achteraf (met succes) stellen dat hij vanwege zijn economische positie beschermd zou moeten worden. Deze overweging is interessant, nu het hof hiermee impliceert dat de ongelijkheid in ongelijkheidscompensatie (althans, volgens dit hof) in elk geval niet gelegen is in de economische afhankelijkheid van de werkende. Dat ook ondernemers in meer of mindere mate economisch afhankelijk kunnen zijn van één of enkele opdrachtgevers, is reeds in diverse onderzoeken aan bod gekomen. In deze onderzoeken wordt echter veelal betoogd dat die afhankelijkheid juist meebrengt dat dergelijke werkenden (meer) arbeidsrechtelijke bescherming zouden moeten genieten.14
Het begrip ‘economische afhankelijkheid’ werd in de onderzochte rechtspraak overigens slechts in enkele uitspraken nader geconcretiseerd. Zo overwoog het hof Arnhem-Leeuwarden dat de werkende in kwestie:
‘over voldoende inkomsten uit zijn eigen bedrijven beschikte om in zijn levensonderhoud te voorzien en dat hij financieel dus niet afhankelijk was van een arbeidsovereenkomst’.15
Het hof ’s-Hertogenbosch overwoog in dit verband dat bij de beoordeling van de mate van economische afhankelijkheid enkel acht moet worden geslagen op de positie van de werkende zelf. Dat de echtgenoot van de werkende in kwestie een goed betaalde baan had, deed niets af aan haar (eigen) economische afhankelijkheid, nu zij voor haar inkomsten afhankelijk was van één werkverschaffer.16
b. Economische macht werkverschaffer
Zoals hiervoor is aangestipt ziet de in de wetsgeschiedenis geduide economische ongelijkheid op twee aspecten: de economische afhankelijkheid van de werkende en de economische macht van de werkverschaffer. Nu in categorie a is stilgestaan bij de economische afhankelijkheid van de werkende, komt in de hier besproken categorie de economische macht van de werkverschaffer aan bod. Die economische macht vloeit voort zoals gezegd uit het gegeven dat de werkverschaffer als kapitaalbezitter bij machte is te dicteren onder welke voorwaarden de arbeid wordt verricht. In hoofdstuk 3 en 4 is uiteengezet dat bij de uitleg van de economische ongelijkheid tussen partijen, de nadruk gaandeweg steeds meer op de economische macht van de werkgever is komen te liggen. Daarbij geldt dat dit machtsaspect in de loop van de tijd in toenemende mate werd afgeleid uit de juridische ondergeschiktheid voortvloeiend uit de organisatorische inbedding van de werkende.
In de verzamelde uitspraken is onderzocht in hoeverre rechters betekenis toekenden aan de hiervoor beschreven economische macht van de werkverschaffer. De focus ligt in deze analyse op de zeggenschap ten aanzien van organisatorische zaken zoals werk- en rusttijden, kledingvoorschriften en het al dan niet onderworpen zijn aan interne reglementen. In feite gaat het daarbij om formeel gezag. Voorts is onderzocht in hoeverre betekenis werd toegekend aan de vraag of de werkende structureel in de organisatie was ingebed en de mate waarin de werkende al dan niet een vergelijkbare positie innam als werknemers binnen de organisatie.17 Uit deze analyse blijkt dat de economische macht van de werkverschaffer in de onderzochte rechtspraak (veel) vaker terugkwam dan de economische afhankelijkheid van de werkende: in 90 uitspraken werd op enigerlei wijze betekenis toegekend aan de organisatorische inbedding van de arbeid(er). Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat dit element veelal terugkwam bij de toetsing van (de formele kant van) het gezagscriterium, zonder dat daarbij uitdrukkelijk werd overwogen dat die inbedding op zichzelf zou maken dat de werkende binnen het bereik van artikel 7:610 BW zou vallen.
Het hier onderzochte element kwam in de overgrote meerderheid van de uitspraken tot uitdrukking in overwegingen waarin werd stilgestaan bij de ondergeschiktheid van de werkende aan organisatorische instructies.18 De rechtbank Amsterdam achtte in dit verband bijvoorbeeld van belang dat de werkende in kwestie – een docent bij het Leerorkest – volgens een ‘minutieus uitwerkt’ rooster diende te werken, waar hij bovendien geen inspraak in had gehad.19 In andere uitspraken werd deze vorm van ondergeschiktheid geduid door een (gebrek aan) vrijheid van ‘komen en gaan’, waarmee wordt bedoeld dat de werkende zich bij afwezigheid (ziekte, vakantie, etc.) richting de werkverschaffer diende te verantwoorden.20 In de hier behandelde uitspraken werd eveneens betekenis toegekend aan de wijze waarop de werkende zich verhield tot werknemers binnen de organisatie. Hoewel dit veelal niet met zoveel woorden werd overwogen, lijkt de gedachte te zijn dat het weinig voor de hand ligt dat een werkende die een gelijke positie inneemt als een werknemer, niet ondergeschikt zou zijn aan de organisatie van de werkverschaffer (en de werknemer wel).21 Andersom vormde het gegeven dat de werkende een geheel andere positie innam dan werknemers binnen de organisatie, juist een indicatie dat geen sprake was van ondergeschiktheid. Zo achtte de rechtbank Midden-Nederland van belang dat de werkende in kwestie – die overigens wel structureel werkzaamheden voor de organisatie verrichtte – veel vrijheid had om zijn werkzaamheden en werktijden in te richten, terwijl deze vrijheid voor de werknemers binnen de organisatie in veel mindere mate gold.22
In een aantal uitspraken werd betekenis toegekend aan de structurele inbedding van de werkzaamheden. In een uitspraak van de rechtbank Utrecht woog bijvoorbeeld mee dat de werkende gedurende 18 jaar structureel binnen de organisatie van de werkverschaffer had gefunctioneerd23, en achtte de rechtbank Amsterdam van belang dat de werkzaamheden in kwestie geen incidenteel karakter hadden24. Overigens leidde de structurele inbedding van de werkende niet zonder meer tot het oordeel dat sprake was van ondergeschiktheid. Zo overwoog de rechtbank Rotterdam:
‘Dat structureel gedurende een 40-urige werkweek werkzaamheden zijn verricht brengt nog niet direct mee dat sprake is van een arbeidsovereenkomst: ook andere juridische constructies, zoals de managementovereenkomst, kunnen aan het op een dergelijke wijze verrichten van werkzaamheden ten grondslag liggen.’25
Dat de organisatorische ondergeschiktheid van de werkende veelvuldig werd meegewogen in de geanalyseerde uitspraken sluit aan bij de bevindingen uit de voorgaande hoofdstukken, waarin is toegelicht dat het gezagscriterium uit artikel 7:610 BW met name ziet op de juridische en organisatorische ondergeschiktheid van de werkende. Hoewel het compenseren van die ongelijkheidsvorm ook aansluit op de bedoelingen van de wetgever, dient niet uit het oog te worden verloren dat de aanwezigheid van die ongelijkheidsvorm op zichzelf niet reeds tot de conclusie leidt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Van de 90 uitspraken waarin op enigerlei wijze werd stilgestaan bij deze ongelijkheidsvorm werd in (slechts) 26 gevallen een arbeidsovereenkomst aangenomen.
c. Kenmerken van de arbeid(er)
Onder categorie c zijn uitspraken geschaard waarin de ongelijkheid tussen partijen werd geduid aan de hand van kenmerken van de arbeid of arbeider. De gedachte daarbij is dat zaken als een hoog opleidingsniveau, functieniveau of salaris, een sterkere maatschappelijke positie van de werkende impliceren. Zo is in de jaren ’90 door Jacobs geopperd dat het onderscheid tussen wel en niet beschermingsbehoeftige werkenden onder meer zou kunnen worden gemaakt aan de hand van de hoogte van het salaris (destijds f 150.000 bruto per jaar) en/of aan de hand van het opleidingsniveau (HBO/Universitair).26
In 25 van de onderzochte uitspraken werd aandacht besteed aan kenmerken van de arbeider bij de beantwoording van de kwalificatievraag.27 Dit gebeurde op twee manieren: bij de waardering van het element gezag en bij de waardering van de partijbedoeling. Zo overwoog het hof Den Haag ten aanzien van een tandarts dat het feit dat hij ‘bij de uitvoering van zijn werkzaamheden een grote mate van vrijheid’ had, niet afdeed aan het feit dat sprake was van een gezagsverhouding:
‘Een dergelijke verantwoordelijkheid is inherent aan de functie van een professional’.28
Kenmerken van de arbeid(er) speelden in de onderzochte rechtspraak voorts een rol bij de waardering van de partijbedoeling. Enerzijds was zichtbaar dat de eenvoudige aard van de arbeid met zich kon brengen dat aan de partijbedoeling minder betekenis moest toekomen. De rechtbank Noord-Holland overwoog in twee PostNL-uitspraken dat:
‘de aard van de arbeid, namelijk ongeschoolde en laag betaalde arbeid met een hoog “productiegehalte”, [uitnodigt] tot toepassing van de beschermingsgedachte van het arbeidsrecht, en tot terughoudendheid waar het betreft het toekennen van gewicht aan de (op schrift geformuleerde) partijbedoeling.’29
Anderzijds was ook zichtbaar dat bij arbeid in het hogere segment juist meer betekenis aan de partijbedoeling werd toegekend. Zo werd in een aantal uitspraken waarde gehecht aan het feit dat de werkende in kwestie geen ‘doorsnee werknemer’30was, dat zijn kwaliteiten ‘ver uitstegen boven het gemiddelde niveau’31 van de werknemers van de werkverschaffer, of dat de werkende zich presenteerde als ‘arbeidsrechtspecialist’32. De sterkere positie van deze werkenden maakte in deze uitspraken dat meer waarde werd gehecht aan de (niet op het sluiten van een arbeidsovereenkomst gerichte) partijbedoeling.
d. Kenmerken van ondernemerschap (of het gebrek daaraan)
Een andere manier waarop de ongelijkheid tussen partijen werd geconcretiseerd, is door te beoordelen of en in hoeverre de werkende (al dan niet) kenmerken van ondernemerschap vertoont. Hoewel het wettelijke systeem niet voorschrijft dat niet-werknemers zonder meer ondernemers zijn, kan wel worden gesteld dat een werkende die kenmerken van ondernemerschap vertoont, in elk geval een sterke(re) positie inneemt als contractspartij. Trap betoogt zelfs dat de mate van ondernemerschap en de mate van economische afhankelijkheid ‘omgekeerd evenredig’ aan elkaar zijn.33 Hoewel het de vraag is of dit in alle gevallen opgaat – immers kan zoals gezegd ook een zelfstandig ondernemer economisch afhankelijk zijn van één of enkele opdrachtgevers34 – volg ik Trap wel voor zover hij betoogt dat de mate van ondernemerschap (een omgekeerd) verband houdt met de mate van economische ongelijkheid. De mate van ondernemerschap van de werkende zal onder meer bepalend zijn voor de wijze waarop de economische machtsverhoudingen tussen partijen liggen.
Van de 139 uitspraken waarin het begrip ongelijkheidscompensatie werd uitgewerkt, gebeurde dit in de meeste gevallen (96 uitspraken) door betekenis toe te kennen aan de mate waarin de werkende (al dan niet) kenmerken van ondernemerschap vertoonde.35 De mate van ondernemerschap werd in de onderzochte rechtspraak veelal bepaald aan de hand van de vraag of de werkende enig ondernemers- dan wel investeringsrisico36 liep, en de vraag of sprake was van (reële) onderhandelingsvrijheid.37 Met name in gevallen waarin de werkende aanwijzingen ontving of zich naar de organisatorische kaders van de werkverschaffer moest schikken, werd stilgestaan bij de vraag in hoeverre dit een inbreuk op de ondernemersvrijheid van de werkende opleverde.38 Voorts werd geregeld acht geslagen op aspecten van administratieve aard, zoals de vraag of een VAR-wuo of VAR-dga was afgegeven, of de werkende een btw-nummer had aangevraagd, of hij zich had ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en of er werknemerspremies waren afgedragen.39 Andere omstandigheden die in dit verband (overigens in mindere mate) terugkwamen, waren de vraag of de betrokkene anderen voor zich had werken, en of hij zich al gedurende langere tijd als zelfstandige presenteerde.40
In een van de PostNL-uitspraken werd betekenis toegekend aan het feit dat partijen voorafgaand aan het sluiten van de vervoersovereenkomst een proefperiode (van circa 8 weken) hadden ingelast, zodat de keuze voor het zelfstandig ondernemerschap een bewuste moest zijn geweest.41 In een aantal gevallen werd van belang geacht dat de pakketbezorgers in kwestie al langere tijd als zelfstandig koerier werkzaam waren voordat zij werkzaamheden voor PostNL gingen verrichten.42 In andere gevallen werd in overweging genomen dat de pakketbezorgers zich lieten bijstaan bij de uitvoering van hun werkzaamheden: dat het werk niet langer volledig door één persoon kon worden verricht, vormde in die gevallen een aanwijzing dat sprake was van écht ondernemerschap.43
In de onderzochte rechtspraak is onder meer zichtbaar dat een gebrek aan ‘echt’ ondernemerschap ertoe kan leiden dat de werkende wordt beschermd, mede vanwege de zwakkere positie die hij mede met het oog daarop inneemt. Zo werd in een van de PostNL-zaken overwogen:
‘Wanneer echter deze ene opdrachtgever enerzijds zeer strakke kaders verstrekt waarbinnen de werkzaamheden dienen te worden verricht, terwijl anderzijds vanwege de economische afhankelijkheid nauwelijks tot geen ruimte bestaat om over die kaders te onderhandelen, ontstaat eerder het beeld van een gezagsverhouding dan dat van zelfstandig ondernemerschap.’44
Het gebrek aan ondernemerschap leidde overigens niet per definitie tot een kwalificatie als werknemer. In een kwestie waarin een opdrachtnemer had gesolliciteerd op een vacature met (nota bene) als beschrijving ‘Freelance/ZZP’, overwoog de kantonrechter Midden-Nederland dat het feit dat de werkende zich niet had ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, niet zonder meer tot het oordeel leidde dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Volgens de kantonrechter waren dit ‘eigen keuzes’ van de werkende, die niet zonder meer zouden maken dat tot vaststelling van een arbeidsovereenkomst kan worden gekomen.45
e. (On)gelijkwaardige onderhandelingspositie
Categorie e richt zich op de mate waarin de werkende in staat is (geweest) om voor hem gunstige arbeidsvoorwaarden uit te onderhandelen.46 Deze categorie is in grote mate vergelijkbaar met de in paragraaf 6.4.1 behandelde uitspraken over de mate waarin de werkende bewust was van de juridische implicaties van de aangegane samenwerking. De overlap tussen deze twee categorieën was dan ook groot: van de 20uitspraken waarin de onderhandelingspositie aan bod kwam, werd in 14 uitspraken ook stilgestaan bij de mate waarin partijen bewust hadden gehandeld. Het verschil met de categorie besproken in paragraaf 6.4.1 is dat in de hierna te bespreken gevallen ook (uitdrukkelijk) werd stilgestaan bij de omstandigheden die maakten dat de werkende in staat was bewust te (onder)handelen. Verder houdt de hierna te bespreken categorie in zekere zin ook verband met de onder a en b behandelde economische (on)gelijkheid. Zo is onder meer bij de parlementaire behandeling van de Wet op de Arbeidsovereenkomst opgemerkt dat een werkende die economisch ongelijk is, eerder geneigd zal zijn tot het aanvaarden van voor hem ongunstige arbeidsvoorwaarden.47
De onderhandelingspositie kwam als gezegd in 20 uitspraken aan bod. In sommige uitspraken werd betekenis toegekend aan het feit dat er was onderhandeld, bijvoorbeeld over het tarief. In die gevallen werd (enige) onderhandelingsruimte dan ook aanwezig geacht.48 Het enkele feit dat partijen over de arbeidsvoorwaarden hadden onderhandeld, leidde overigens niet altijd tot de conclusie dat daarmee moest worden aangenomen dat partijen op dat vlak aan elkaar gewaagd waren. In sommige gevallen overwoog de rechter dat de economische afhankelijkheid van de werkende meebracht dat in wezen geen sprake was van daadwerkelijke onderhandelingsruimte.49
In andere uitspraken werd de onderhandelingspositie afgeleid uit het feit dat de werkende zelf over juridische kennis beschikte. Dit gebeurde bijvoorbeeld in het geschil waarin de betrokkene zelf jurist50 was, en de eerder aangehaalde kwestie waarin de betrokkene zich zelfs als arbeidsrechtjurist51 profileerde. In enkele andere uitspraken kende de rechter betekenis toe aan het feit dat de werkende was bijgestaan door een juridisch of financieel adviseur.52 Zelfs de omstandigheid dat de werkende was geadviseerd om zich te laten voorlichten, speelde in een van de onderzochte uitspraken een rol:
‘Uit de stukken blijkt dat de stichting [verzoeker] heeft geadviseerd om zich te laten voorlichten over de implicaties van deze wijzigingen voor zijn eigen positie. Een en ander wordt bevestigd door [betrokkene 2] in haar verklaring (2.29). Voor zover [verzoeker] heeft nagelaten aan het advies om zich nader te laten voorlichten gevolg te geven kan hij dit niet aan [verweerster] tegenwerpen.’53
Een omstandigheid die in de onderzochte rechtspraak in mindere mate terugkwam, was de vraag op wiens initiatief de juridische vormgeving van de samenwerking tot stand was gekomen. Slechts in twee uitspraken werd uitdrukkelijk betekenis toegekend aan het feit dat de werkende zelf zijn tarief bepaalde.54 Dat deze omstandigheid slechts twee maal werd gesignaleerd is opvallend, nu de Hoge Raad dit in Groen/Schoevers als een relevant gegeven aanmerkte. In dit arrest werd overwogen:
‘Door op grond van deze overwegingen — waarbij de Rechtbank kennelijk mede rekening heeft gehouden met de maatschappelijke positie van Groen en met name in aanmerking heeft genomen dat de wijze van betaling van de tegenprestatie op zijn initiatief is tot stand gekomen — in onderling verband bezien tot de slotsom te komen dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan, heeft de Rechtbank niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.’55
Hoewel het initiatief voor de overeengekomen samenwerkingsvorm niet zonder meer bepalend is voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie, kan deze omstandigheid wel degelijk indicatief zijn voor de maatschappelijke positie van partijen, en in samenhang daarmee voor de waardering van de partijbedoeling. In Groen/Schoevers vormde het feit dat Groen zelf voor de overeengekomen betalingsvorm had geopteerd een contra-indicatie voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: kennelijk had hij de zelfstandige samenwerkingsvorm zelf gewild en was hij ook in staat die wil kenbaar te maken en de gevolgen daarvan te overzien.
Zoals ook aan het begin van deze paragraaf is opgemerkt, is het de vraag of de hiervoor (onder a t/m e) besproken bevindingen na X/Gemeente Amsterdam nog houdbaar zijn. In veel van de hier genoemde voorbeelden werd een duidelijk verband gelegd tussen de hoedanigheid van partijen en het gewicht dat aan de partijbedoeling dient toe te komen. Nu met het arrest X/Gemeente Amsterdam vaststaat dat de kwalificatie die partijen voor ogen hadden niet ter zake doet, geldt dat een deel van de hiervoor aangehaalde overwegingen niet langer houdbaar zal zijn. Wederom wordt opgemerkt dat dit enkel geldt voor zover deze rechtsoverwegingen op de partijbedoeling ten aanzien van de kwalificatie van de overeenkomst zien. In de volgende paragraaf wordt besproken in hoeverre die partijbedoeling in de onderzochte rechtspraak tot X/Gemeente Amsterdam werd meegewogen. Een tipje van de sluier: dit aandeel is niet verwaarloosbaar.