RvdW 2025/937:Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Nederlandse en Pakistaanse nationaliteit) naar Verenigde Staten t.z.v. deelneming aan criminele organisatie, Opiumwetdelicten en/of witwassen. Feitelijke behandeling uitleveringsverzoek door HR. Genoegzaamheid van stukken, art. 9 lid 2 sub b en 9 lid 2 sub e Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten. O.g.v. art. 9 lid 2 sub b Uitleveringsverdrag Nederland-VS moet bij verzoek tot uitlevering uiteenzetting worden gevoegd van betreffende feiten, met inbegrip, zo mogelijk, van tijdstip waarop en plaats waar misdrijf werd gepleegd. Door verzoekende staat overgelegde stukken voldoen aan deze eis, i.h.b. gelet op wat Affidavit in support of request for extradition inhoudt over strafbare feiten waarbij opgeëiste persoon betrokken zou zijn als internationaal distributeur van Anom-communicatiemiddelen en locaties die verband houden met deze strafbare feiten, alsmede data die in die Affidavit als pleegdata worden genoemd. Verder moeten o.g.v. art. 9 lid 2 sub e Verdrag de wetsbepalingen die rechtsmacht toekennen, bij verzoek tot uitlevering worden gevoegd als strafbaar feit buiten grondgebied van verzoekende staat werd gepleegd. Dat geval doet zich hier niet voor, omdat feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht, zoals deze zijn omschreven in Affidavit, mede zijn begaan op grondgebied van verzoekende staat. Overlegging van de in art. 9 lid 2 sub e Verdrag bedoelde wetsbepalingen is daarom niet vereist. Volgt toelaatbaarverklaring van uitlevering met als doel strafvervolging voor feiten zoals omschreven in Affidavit in support of request for extradition. Vervolg op HR 22 april 2025, RvdW 2025/637.