Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/897
Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat tegen hem inreisverbod is uitgevaardigd, art. 197 Sr. Bewijsklacht. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat niet bewezen kan worden dat inreisverbod t.t.v. tlgd. datum berustte op enig wettelijk voorschrift, nu verdachte zich niet schuldig had gemaakt aan dermate ernstige strafbare feiten dat hij actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde voor fundamenteel belang van samenleving, art. 359 lid 2 Sv. HR: art. 81 lid 1 RO.
HR 08-07-2025, ECLI:NL:HR:2025:1045
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
8 juli 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, Y. Buruma, A.E.M. Röttgering
- Zaaknummer
23/00796
- Conclusie
A-G mr. B.F. Keulen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Vreemdelingenrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1045, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑07‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:531, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑05‑2025
Essentie
Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat tegen hem inreisverbod is uitgevaardigd, art. 197 Sr. Bewijsklacht. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat niet bewezen kan worden dat inreisverbod t.t.v. tlgd. datum berustte op enig wettelijk voorschrift, nu verdachte zich niet schuldig had gemaakt aan dermate ernstige strafbare feiten dat hij actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde voor fundamenteel belang van samenleving, art. 359 lid 2 Sv. HR: art. 81 lid 1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00796
Datum 8 juli ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.