RvdW 2025/930:BTW-fraude m.b.t. levering schrootmateriaal vanuit Nederland naar Verenigd Koninkrijk (pre-Brexit). Medeplegen doen van onjuiste aangiften omzetbelasting, begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd), art. 69 lid 2 AWR. Vrijspraak in eerste aanleg. Heeft verdachte aangiften omzetbelasting ‘onjuist of onvolledig’ gedaan? V.zv. middel ervan uitgaat dat hof heeft geoordeeld dat aangiften onjuist of onvolledig zijn gedaan op enkele grond dat ‘in keten [van afnemers] uiteindelijk ergens (opzettelijk) geen btw wordt afgedragen’ of dat ‘werkelijke afnemer van goederen buiten beeld raakt/grotendeels is verhuld’, berust het op verkeerde lezing van ’s hofs arrest. Hof heeft immers geoordeeld dat verdachte en mededaders btw-fraude zelf hebben gepleegd, in die zin dat zij wisten dat verschillende Britse vennootschappen aan wie verdachte met toepassing van nultarief factureerde, niet aan hun daaruit voortvloeiende btw-verplichtingen zouden voldoen, zodat verdachte en mededaders dit tarief niet hadden mogen toepassen. V.zv. middel klaagt over begrijpelijkheid van dit oordeel, geldt het volgende. Hof heeft vastgesteld dat verdachte, terwijl zij tevoren bekend was met (risico van) btw-fraude met schroot in Verenigd Koninkrijk, in periode van ruim 2 jaren tientallen miljoenen euro’s aan vele verschillende Britse vennootschappen heeft gefactureerd voor metaalschroot. Daarbij was opvallend dat btw-identificatienummers van vennootschappen na verloop van tijd (vrijwel) steeds werden ingetrokken en dat vennootschappen werden ontbonden. Uit nader onderzoek naar 12 vennootschappen is gebleken dat geen van hen heeft voldaan aan fiscale verplichtingen, dat zij veelal namen en/of doelstellingen hadden die niet in verband kunnen worden gebracht met handel in schroot en dat Britse belastingdienst in 10 gevallen geen contact heeft kunnen krijgen met hen. In 2 overige gevallen heeft bestuurder van vennootschap aangegeven een paar jaar niets met zijn bedrijf te hebben gedaan of niet te weten van handel met Nederlandse bedrijven, wat naar ’s hofs oordeel bijzonder is, gelet op omzet die in korte tijd zou moeten zijn gerealiseerd. Mededader A’s verklaring dat verdachte zaken heeft gedaan met ‘bekende ondernemingen die al langer bestaan, waar we directeuren van kennen en waarvan deze directeuren ook langs kwamen bij [verdachte]’, valt volgens hof niet te rijmen met constateringen die over deze ondernemingen zijn gedaan. Verder heeft hof vastgesteld dat verdachte na verloop van tijd zonder zakelijke argumenten eerst mededader B B.V. en daarna mededader C B.V. als tussenschakels naar voren heeft geschoven. Verdachte had met die bedrijven ongebruikelijk vergaande, niet bij zakelijke relatie passende bemoeienis en alle betalingen die deze bedrijven van Britse vennootschappen hebben ontvangen zijn (bijna) één-op-één overgeboekt naar verdachte, wat niet uit zakelijke relatie te verklaren is. O.g.v. dit alles heeft hof conclusie getrokken dat ‘voor totaalbeeld van Britse vennootschappen’ geen andere logische verklaring bestaat dan dat zij vehikels zijn geweest voor plegen van btw-fraude. Doordat zij ‘lege hulzen’ c.q. katvangers waren aan wie schroot niet kan zijn geleverd, is grotendeels verhuld wie werkelijke afnemers zijn geweest. Gelet op dit alles kon het volgens hof niet anders dan dat verdachte en mededaders hebben geweten van btw-fraude, maar dat zij desondanks facturen hebben uitgereikt aan anderen dan onbekend gebleven werkelijke afnemers. Daardoor hebben zij zelf btw-fraude gepleegd. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2025/926, RvdW 2025/927, RvdW 2025/928, RvdW 2025/931, RvdW 2025/932, RvdW 2025/934 en RvdW 2025/935.