Rechtbank Noord-Nederland 8 mei 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1856.
HR, 06-02-2026, nr. 25/00576
ECLI:NL:HR:2026:193
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-02-2026
- Zaaknummer
25/00576
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:193, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑02‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1019
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:7011
ECLI:NL:PHR:2025:1019, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:193
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑12‑2024
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2026/49
VAAN-AR-Updates.nl 2026-0217
AR-Updates.nl 2026-0217
JAR 2026/71
TvPP 2026/18, p.64 met annotatie van L.V.V. Meijers
JAR 2026/71
Uitspraak 06‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Ontbinding arbeidsovereenkomst. Billijke vergoeding, art. 7:671b lid 9, onder c, BW; in mindering brengen werkloosheidsuitkering, relevantie mogelijk verlies toekomstige aanspraken op WW-uitkering.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/00576
Datum 6 februari 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[de werkneemster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de werkneemster,
advocaat: S.F. Sagel,
tegen
STICHTING ANTONIUS ZORGGROEP,
gevestigd te Sneek, gemeente Súdwest Fryslân,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Antonius,
advocaat: F.M. Dekker.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 10932299 \ AR VERZ 24-5 van de rechtbank Noord-Nederland van 8 mei 2024;
b. de beschikking in de zaak 200.344.582/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 november 2024.
De werkneemster heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Antonius heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de werkneemster heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Het gaat in deze zaak om de vraag naar het belang van de WW-uitkering die de voormalige werknemer zou kunnen ontvangen bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding bedoeld in art. 7:671b lid 9, onder c, BW.
2.2
De werkneemster is in 2018 bij Antonius in dienst getreden als klinisch chemicus. De kantonrechter1.heeft op verzoek van Antonius in deze procedure de arbeidsovereenkomst ontbonden op de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding). De kantonrechter heeft voorts, onder meer, de werkneemster een billijke vergoeding toegekend van drie jaarsalarissen, in totaal € 443.916,-- bruto, op de grond dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Antonius.
2.3
Het hof2.heeft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst bekrachtigd en heeft aan de werkneemster een billijke vergoeding toegekend van € 170.000,--. Het heeft over de billijke vergoeding onder meer overwogen:
“3.34 Het ernstige verwijt dat Antonius wordt gemaakt van de ontstane grond voor ontbinding heeft betrekking op twee kwesties: schending van verplichtingen tijdens re-integratie, waaronder het aansturen op beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdens ziekte, en de gang van zaken nadat [de werkneemster] in 2024 (zo goed als) hersteld was. Daardoor werd ontbinding onvermijdelijk en dat rechtvaardigt een billijke vergoeding.
Bij het bepalen van de hoogte daarvan dient het hof de werknemer te compenseren voor het ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. De hoogte moet worden bepaald op een wijze en een niveau waarmee wordt aangesloten bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval.
(…)
3.36 (…)
Ook wijst Antonius er terecht op dat geen rekening is gehouden met het recht op een WW-uitkering gedurende 24 maanden. (…)
(…)
3.39 (…)
Een en ander afwegend vindt het hof het redelijk om in dit geval, de goede en kwade kansen afwegend, tot uitgangspunt te nemen dat het dienstverband na 1 augustus 2024 nog twee jaar zou hebben voortgeduurd. Uitgaande van het dan geldende maandloon met emolumenten van € 11.367,35 bruto komt dat neer op bijna € 273.000,- bruto gemist loon. Het hof acht het redelijk daarvan af te trekken wat [de werkneemster] in die periode aan WW-uitkering zou kunnen ontvangen. Gelet op het maximum dagloon is dat ongeveer € 4.305,- bruto per maand. Het hof gaat er in een alternatief scenario van uit dat [de werkneemster] in de komende tijd een andere baan zal kunnen krijgen waarmee zij tenminste een bruto maandloon ter hoogte van de maximale WW kan verdienen. Dat leidt tot een aftrek van ruim € 103.000,- bruto over de twee jaar. Daarmee komt het geschatte inkomensverlies over twee jaar uit op € 170.000,-- bruto.
In deze wijze van berekening wordt geen rekening gehouden met de duur van het dienstverband en de duur van de arbeidsongeschiktheid en het hof ziet ook geen reden om de uitkomst te matigen met het oog op die argumenten.
Voor het verhogen is evenmin aanleiding. Niet is gebleken dat bij Antonius sprake was van kwade opzet of een vooropgezet plan om re-integratieverplichtingen niet correct uit te voeren, wel van onvoldoende professionele regie. Het ernstige verwijt in verband met het staken van de loondoorbetaling in 2024 is ook al ‘bestraft’ met de maximale wettelijke verhoging.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel bestrijdt het oordeel van het hof dat de WW-uitkering waarop de werkneemster aanspraak zou kunnen maken in mindering moet worden gebracht op de billijke vergoeding. Het betoogt onder meer dat het hof heeft miskend dat wanneer de billijke vergoeding wordt begroot op basis van het loon dat de werknemer zou hebben verdiend gedurende de periode dat het dienstverband nog zou hebben voortgeduurd bij gebreke van het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever dat tot de beëindiging heeft geleid, de WW-uitkering alleen in bijzondere omstandigheden bij het bepalen van de billijke vergoeding in mindering dient te worden gebracht.
3.2
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechter de billijke vergoeding te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. Hij dient in de motivering van zijn oordeel inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid. Bij billijke vergoedingen die zijn gebaseerd op ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever, gaat het uiteindelijk erom dat de werknemer voor dit ernstig verwijtbaar handelen of nalaten wordt gecompenseerd. Daarbij kan rekening worden gehouden met inkomen dat de werknemer zou hebben genoten als de arbeidsovereenkomst op een later moment zou zijn geëindigd, met eventueel ander werk dat de werknemer inmiddels heeft gevonden, en met de inkomsten die hij daaruit dan geniet, en met de (andere) inkomsten die de werknemer in redelijkheid in de toekomst kan verwerven.3.
3.3
De beslissing van het hof is in overeenstemming met hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen. Het hof heeft in rov. 3.34 vooropgesteld dat de billijke vergoeding moet worden bepaald op een wijze die, en een niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval en dat het erom gaat de werkneemster te compenseren voor het ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. Het heeft vervolgens de financiële gevolgen van het einde van de arbeidsovereenkomst voor de werkneemster vastgesteld en daarbij rekening gehouden met de tijd die de arbeidsovereenkomst waarschijnlijk nog zou hebben voortgeduurd als deze niet in deze procedure zou zijn ontbonden. Op de gemiste inkomsten heeft het hof in mindering gebracht de inkomsten die de werkneemster als alternatief zou kunnen verwerven (een WW-uitkering of inkomen uit een andere baan). Het heeft overwogen geen aanleiding te zien voor het verhogen of matigen van de aldus bepaalde vergoeding.
3.4
Anders dan het middel betoogt, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof bij het bepalen van de billijke vergoeding de mogelijke WW-uitkering op het gederfde loon in mindering heeft gebracht. Als de rechter bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houdt met de gevolgen voor de werknemer van het voortijdige einde van de arbeidsovereenkomst – zoals het hof in deze zaak heeft gedaan – ligt het immers voor de hand dat hij in dat verband niet alleen rekening houdt met nadelen (verlies van loon) maar ook met eventuele voordelen (zoals het recht op een uitkering of de mogelijkheid andere inkomsten te verwerven) die daarmee voldoende samenhangen. In welke mate de aldus vastgestelde gevolgen de hoogte van de billijke vergoeding bepalen, zal mede afhangen van de aanwezigheid van andere omstandigheden die bij het vaststellen van de vergoeding van belang zijn. Daarbij kan ook meewegen of de werknemer wordt benadeeld in mogelijke toekomstige rechten op een werkloosheidsuitkering. Uiteindelijk komt het immers aan op een beoordeling van alle omstandigheden in het licht van hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd. Het hof heeft dat niet miskend.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de werkneemster in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Antonius begroot op € 905,-- aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de werkneemster deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 februari 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑02‑2026
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7011.
Vgl. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle I), rov. 3.4.2-3.4.5; HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia), rov. 3.3.4; HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (Servicenow), rov. 3.4.2-3.4.4; HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:955 (Blue Circle), rov. 3.2.2.
Conclusie 19‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Billijke vergoeding van art. 7:671b lid 9, sub c, BW. Of en, zo ja, op welke wijze moet bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding de WW-uitkering die de voormalig werknemer zou kunnen ontvangen in aanmerking worden genomen?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00576
Zitting 19 september 2025
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
[Werkneemster]
advocaat: S.F. Sagel
tegen
Stichting Antonius Zorggroep
advocaat: F.M. Dekker
1. Inleiding en samenvatting
1.1
In deze zaak gaat het in cassatie om de vraag of en, zo ja, op welke wijze bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding bedoeld in art. 7:671b lid 9, sub c, BW, de WW-uitkering die de voormalig werknemer zou kunnen ontvangen, in aanmerking mag worden genomen. Onder 4.16-4.50 van deze conclusie wordt daarover aan de hand van feitenrechtspraak en literatuur een uitvoerige beschouwing gegeven.
1.2
De rechtbank heeft de arbeidsovereenkomst tussen [Werkneemster] (hierna: Werknemer) en Stichting Antonius Zorggroep (hierna: Antonius) ontbonden omdat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord. De rechtbank heeft Werknemer een billijke vergoeding toegekend van drie jaarsalarissen, in totaal € 443.916,- bruto, omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Antonius. Het hof heeft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst bekrachtigd en aan Werknemer een billijke vergoeding toegekend van € 170.000,-. Het hof is uitgegaan van twee jaarsalarissen gemist loon. Op dat bedrag heeft het hof de WW-uitkering over die twee jaar in mindering gebracht (een aftrek van € 103.000,- bruto).
1.3
Werknemer komt in cassatie op tegen het oordeel van het hof dat het redelijk is om van het gemiste loon de WW-uitkering over die periode af te trekken. M.i. slagen de klachten niet.
2. Feiten
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 18 november 2024.1.
2.2
Werknemer is op 1 september 2018 als klinisch chemicus in dienst getreden bij Antonius en was laatstelijk voor onbepaalde tijd werkzaam met een arbeidsomvang van 32 uur per week.
2.3
Op 4 februari 2021 kreeg Werknemer op het werk een ‘black out’ en meldde zij zich ziek. De bedrijfsarts stelde in maart 2021 vast dat Werknemer beperkingen heeft die deels te duiden zijn als een direct gevolg van een verstoorde arbeidsverhouding, maar ook beperkingen in het functioneren die te duiden zijn als een gevolg van ziekte. Geadviseerd werd met elkaar in gesprek te gaan omdat de situatie op het werk in de weg staat aan herstel in eigen werk.
2.4
Antonius diende op 4 februari 2022 een ontbindingsverzoek in dat op 8 juni 2022 werd afgewezen. De kantonrechter vond dat Werknemer de gelegenheid moest krijgen verder te werken aan herstel, waarna partijen het gesprek konden oppakken over verbetering van de samenwerking en de vormgeving van re-integratie. Antonius stelde hoger beroep in.
2.5
Het hof oordeelde op 23 november 2022 dat de kantonrechter terecht de verzochte ontbinding had afgewezen.2.Er is sprake van een opzegverbod tijdens ziekte.
2.6
Het UWV heeft Antonius op 2 januari 2023 een loonsanctie opgelegd tot 2 februari 2024 omdat zij niets aan re-integratie heeft gedaan wegens een arbeidsconflict. Het daartegen door Antonius ingediende bezwaar is in april 2023 verworpen, kort gezegd omdat het UWV van oordeel was dat re-integratie is gestagneerd hoewel de bedrijfsarts vanaf juni 2021 benutbare mogelijkheden had vastgesteld. Later heeft Antonius nog verzocht om verkorting van de loonsanctie maar dit verzoek is door het UWV afgewezen. Antonius had ondanks herinnering de in dit verband gestelde vragen niet beantwoord.
2.7
Op 9 januari 2024 oordeelde de bedrijfsarts dat Werknemer vrijwel geheel is hersteld. De bedrijfsarts ondersteunt medisch gezien het verzoek van Werknemer om opnieuw met Antonius in gesprek te gaan.
2.8
De advocaat van Werknemer heeft daarna Antonius verzocht om een gesprek over terugkeer van Werknemer, gelet op het advies van de bedrijfsarts en de wisselingen binnen het personeelsbestand. De advocaat van Antonius heeft daarop geantwoord dat sprake is van een totaal verziekte arbeidsrelatie die zo spoedig mogelijk moet eindigen. Na afloop van de loonsanctie wordt het loon stopgezet en zal een ontbindingsverzoek worden ingediend.Antonius heeft vanaf 2 februari 2024 geen salaris meer betaald aan Werknemer. Ten tijde van de mondelinge behandeling bij de kantonrechter had Werknemer zich geheel hersteld gemeld.
3. Procesverloop
3.1
Bij verzoekschrift gedateerd 9 februari 2024 heeft Antonius de rechtbank Noord-Nederland verzocht de arbeidsovereenkomst met Werknemer te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding en te verklaren voor recht dat Werknemer geen recht heeft op een billijke vergoeding omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten door Antonius.
3.2
Werknemer heeft primair gesteld dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen en subsidiair dat een substantiële billijke vergoeding, achterstallig salaris en een vergoeding van kosten (op grond van art. 7:611 BW) moet worden toegekend. Bij wijze van tegenverzoek verzoekt zij om Antonius te veroordelen tot betaling van, kort gezegd, de wettelijke transitievergoeding, een billijke vergoeding van € 443.916,- bruto, een schadevergoeding, achterstallig salaris en salaris vanaf 9 januari 2024, alle vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede betaling van niet-betaalde reiskosten en overige kosten.
3.3
Bij beschikking van 8 mei 2024 heeft de rechtbank in het verzoek de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 augustus 2024 en Antonius veroordeeld om aan Werknemer te betalen de transitievergoeding (€ 23.988,13 bruto) en een billijke vergoeding van € 443.916,- bruto, beide vermeerderd met wettelijke rente, met veroordeling van Antonius in de proceskosten.3.De rechtbank heeft de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.
3.4
In het tegenverzoek heeft de rechtbank Antonius veroordeeld tot betaling van (achterstallig) salaris met wettelijke verhoging, niet-betaalde reiskosten en overige kosten, vermeerderd met wettelijke rente, met veroordeling van Antonius in de proceskosten. De rechtbank heeft de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.
3.5
De rechtbank heeft geoordeeld, samengevat, dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (art. 7:669, lid 3, sub g BW), welke verstoring haar basis vindt in ernstig verwijtbaar handelen van Antonius. Antonius heeft structureel niet voldaan aan haar verplichting om Werknemer binnen haar eigen werk te laten re-integreren en onvoldoende inspanningen verricht om het arbeidsconflict op te lossen (rov. 5.1-5.10). De rechtbank heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden met toepassing van art. 7:671b lid 9, onder a BW (rov. 5.13). Bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding vindt de kantonrechter de verzochte drie jaarsalarissen passend. De kantonrechter gaat ervan uit dat Werknemer de komende twee jaar geen vergelijkbare betrekking zal kunnen vinden en zeker niet op bereisbare afstand van haar woning in [plaats] . Als gevolg daarvan is de kans aannemelijk dat zij haar registratie als klinisch chemicus zal verliezen waardoor het vinden van een vergelijkbare baan nog lastiger zal worden (rov. 5.19-5.22).
3.6
De invloed van de WW-aanspraken van Werknemer op de hoogte van de billijke vergoeding waren in eerste aanleg tussen partijen geen onderwerp van debat en de rechtbank heeft daarover in haar beschikking ook niets overwogen.4.
3.7
Bij beroepschrift ontvangen op de griffie op 6 augustus 2024 heeft Antonius hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, onder aanvoering van 18 gronden. Antonius heeft onder meer aangevoerd dat bij het bepalen van de billijke vergoeding ten onrechte geen rekening is gehouden met het recht van Werknemer op een WW-uitkering gedurende 24 maanden.5.
3.8
Bij akte van 13 augustus 2024 heeft Antonius nagekomen stukken en een productie in het geding gebracht.
3.9
Werknemer heeft verweer gevoerd.6.Ten aanzien van het in aanmerking nemen van het recht van Werknemer op een WW-uitkering heeft Werknemer aangevoerd dat die WW-uitkering geen rol speelt, omdat zij ook recht zou hebben gehad op die uitkering als de arbeidsovereenkomst op een later moment zou zijn geëindigd. Zij is door de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst gedwongen die aanspraak nu al op te souperen.7.
3.10
Werknemer heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing door de rechtbank van de door haar als onderdeel van haar tegenverzoek gevorderde schadevergoeding voor advocaatkosten.8.Antonius heeft verweer gevoerd in het incidenteel hoger beroep. Dit incidenteel hoger beroep is in cassatie niet aan de orde.
3.11
Op 2 oktober 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Beide partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd. Werknemer heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling nog producties overgelegd.
3.12
Bij beschikking van 18 november 2024 heeft het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigd op het punt van de hoogte van de door Antonius te betalen transitievergoeding, de hoogte van de billijke vergoeding, het door Antonius te betalen (achterstallig) salaris9.en de ingangsdatum van de wettelijke rente over de billijke vergoeding. Het hof heeft Antonius veroordeeld tot betaling van voornoemde posten, waaronder een bedrag van € 170.000,- aan billijke vergoeding, met wettelijke rente. Verder heeft het hof Antonius veroordeeld in de kosten van het door Antonius ingestelde hoger beroep en de kosten van het door Werknemer ingestelde hoger beroep gecompenseerd, de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.
3.13
Het hof heeft daartoe, samengevat en voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
- Antonius heeft ernstig verwijtbaar gehandeld, waardoor ontbinding van de arbeidsovereenkomst onvermijdelijk werd en dat rechtvaardigt een billijke vergoeding. Het ernstige verwijt heeft betrekking op twee kwesties: schending van verplichtingen tijdens ziekte en de gang van zaken nadat Werknemer in 2024 (zo goed als) hersteld was (rov. 3.1, 3.34).
- Het hof neemt tot uitgangspunt bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding dat het hof de werknemer dient te compenseren voor het ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. De hoogte moet worden bepaald op een wijze en een niveau waarmee wordt aangesloten bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval (rov. 3.34).
- Antonius wijst er terecht op dat geen rekening is gehouden met het recht op een WW-uitkering gedurende 24 maanden (rov. 3.36).
- Aannemelijk is dat Werknemer over enige tijd bij haar opleiding passend werk kan vinden in een andere branche, maar tegen een lager salaris. Werknemer heeft ter zitting onbetwist gesteld dat de door Antonius genoemde functie van biomedisch wetenschapper een salarisval geeft van tenminste € 80.000,- bruto per jaar (rov. 3.39)
- De goede en kwade kansen afwegend, vindt het hof het redelijk om tot uitgangspunt te nemen dat het dienstverband na 1 augustus 2024 nog twee jaar zou hebben voortgeduurd. Dat komt neer op bijna € 273.000,- bruto gemist loon (rov. 3.39).
- Het hof acht het redelijk daarvan af te trekken wat Werknemer in die periode aan WW-uitkering zou kunnen ontvangen. Gelet op het maximum dagloon is dat ongeveer € 4.305,- bruto per maand (rov. 3.39).
- Het hof gaat er in een alternatief scenario van uit dat Werknemer in de komende tijd een andere baan zal kunnen krijgen waarmee zij tenminste een bruto maandloon ter hoogte van de maximale WW kan verdienen. Dat leidt tot een aftrek van ruim € 103.000,- bruto over de twee jaar. Daarmee komt het geschatte inkomensverlies over twee jaar uit op € 170.000,- bruto (rov. 3.39).
- Het hof ziet geen aanleiding om de transitievergoeding in mindering te brengen op de billijke vergoeding. Ook weegt het hof de loonsanctie niet mee in het voordeel van Antonius en ziet het hof onvoldoende grond voor matiging (rov. 3.40).
- Het hof bepaalt de ingangsdatum voor de verschuldigdheid van de wettelijke rente op 1 augustus 2024 (rov. 3.41).
3.14
Werknemer heeft bij procesinleiding ingekomen op 17 februari 2025 tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. Antonius heeft een verweerschrift ingediend.
4. Juridisch kader
4.1
Het cassatiemiddel bestaat uit één onderdeel, dat een primaire rechtsklacht, een subsidiaire rechtsklacht en een motiveringsklacht omvat. Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat het voor de berekening van de billijke vergoeding redelijk is om van het gemiste loon de WW-uitkering af te trekken. Voordat de klachten worden besproken, wordt het juridisch kader weergegeven ten aanzien van het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding en het in aanmerking nemen daarbij van het recht op een WW-uitkering.
Vaststelling van de billijke vergoeding
4.2
Bij het einde van de arbeidsovereenkomst kan de rechter in een aantal gevallen, naast de eventuele aanspraak op de transitievergoeding, aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen.10.In de voorliggende zaak kende het hof een billijke vergoeding toe na ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever, omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever (art. 7:671b, lid 9, onder c, BW).
4.3
De rechter dient de billijke vergoeding te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval.11.De wetgever heeft de rechter een grote beoordelingsvrijheid gelaten bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding.12.
4.4
In de New Hairstyle I-beschikking van 30 juni 2017 heeft de Hoge Raad gezichtspunten geformuleerd die van belang zijn voor het bepalen van de billijke vergoeding van art. 7:681 lid 1, aanhef en onder a, BW. Uit latere rechtspraak blijkt dat deze gezichtspunten ook kunnen worden toegepast bij het bepalen van de hoogte van andere bij het einde van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer toe te kennen billijke vergoedingen, waaronder die van art. 7:671 b lid 9, onder c, BW.13.
4.5
De Hoge Raad overwoog in New Hairstyle I, samengevat, als volgt.14.Bij de begroting van de billijke vergoeding van art. 7:681 lid 1, aanhef en onder a, BW gaat het er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (rov. 3.4.5). Daarbij kan rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag, voor zover deze gevolgen zijn toe te rekenen aan het aan de werkgever te maken verwijt van het ontslag (rov. 3.4.3).
4.6
Concreet betekent dit dat de volgende gezichtspunten van belang kunnen zijn bij de begroting van de billijke vergoeding van art. 7:681 lid 1, aanhef en sub a, BW (rov. 3.4.4 en 3.4.5):
a) wat zou de werknemer aan loon hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd;
In dat verband:
- wat zou de verdere duur van de arbeidsovereenkomst dan zijn geweest;
- zou de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze hebben kunnen beëindigen;
- op welke termijn had dit dan mogen gebeuren en zou dit vermoedelijk zijn gebeurd;
- zou er een mogelijkheid zijn geweest tot matiging van de loonvordering op grond van art. 7:680a BW;
b) wat is de mate waarin de werkgever van de grond voor de vernietigbaarheid van de opzegging een verwijt valt te maken;
c) zijn de redenen die de werknemer heeft om af te zien van vernietiging van de opzegging aan de werkgever toe te rekenen;
d) heeft de werknemer inmiddels ander werk gevonden en welke inkomsten geniet hij daaruit;
e) welke andere inkomsten kan de werknemer in redelijkheid in de toekomst verwerven;
f) wat is de hoogte van de aan de werknemer toekomende transitievergoeding.
Ten slotte is geoordeeld dat voor zover elementen van de vaststelling van de billijke vergoeding zien op de vergoeding van schade van de werknemer, de wettelijke regels van art. 6:95 e.v. BW zich voor overeenkomstige toepassing lenen. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding behoort geen rekening te worden gehouden met het punitieve karakter daarvan (rov. 3.4.5).
4.7
Het onder a) genoemde gezichtspunt wordt ook wel ‘de waarde van de arbeidsovereenkomst’ genoemd.15.Bij de billijke vergoeding op grond van art. 7:671b lid 9, onder c, BW kan worden betrokken hoe lang de arbeidsovereenkomst naar verwachting zou hebben voortgeduurd zonder het ernstig verwijtbare handelen van de werkgever.
4.8
In verband met de hiervoor onder d) genoemde (toekomstige) inkomsten uit ander werk heeft de Hoge Raad in New Hairstyle-I (rov. 3.4.5) overwogen:
“Bij de vaststelling van de billijke vergoeding kan ook ermee rekening worden gehouden of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden, en met de inkomsten die hij daaruit dan geniet (vgl. Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 7, p. 90), en met de (andere) inkomsten die hij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven.”
4.9
Op de in deze overweging genoemde vindplaats in de kamerstukken worden alleen de inkomsten uit inmiddels gevonden ander werk genoemd en niet eventuele (andere) inkomsten, zoals uit een wettelijke werkloosheidsuitkering. Onder die andere inkomsten valt m.i. wel ook de eventuele aanspraak van de werknemer op een WW-uitkering, omdat die aanspraak mede bepaalt wat de gevolgen zijn voor de werknemer. Ook in de literatuur wordt dit algemeen aangenomen.16.Een billijke vergoeding verschilt op dit punt van de transitievergoeding. Bij de toekenning daarvan moet de aanspraak van de werknemer op een WW-uitkering, of het feit dat hij al snel een andere baan heeft gevonden niet worden betrokken.17.Op het recht op een WW-uitkering wordt nader ingegaan onder 4.16 e.v.
4.10
De Hoge Raad heeft in New Hairstyle I overwogen dat met andere inkomsten die de werknemer in redelijkheid in de toekomst kan verwerven rekening kan worden gehouden. Uit de gekozen formulering blijkt dat de rechter enige vrijheid heeft bij de beoordeling of hij overige inkomsten in aanmerking neemt en de mate waarin.18.Die beoordelingsvrijheid heeft twee aspecten.
4.11
In de eerste plaats zijn de andere toekomstige inkomsten van invloed op de schade voor de werknemer en kunnen op de begroting daarvan art. 6:97 en 6:105 BW overeenkomstig worden toegepast. Voor zover de billijke vergoeding van art. 7:671b lid 9, onder c, BW, dient als vergoeding van schade, moet een vergelijking worden gemaakt tussen de hypothetische situatie zonder het ernstig verwijtbare handelen van de werkgever en de feitelijke situatie waarin de werknemer door het ernstig verwijtbare handelen van de werkgever is komen te verkeren.19.De inkomsten van de werknemer uit inmiddels gevonden ander werk (gezichtspunt d) en andere inkomsten die de werknemer in redelijkheid kan verwerven (gezichtspunt e), waaronder de WW-uitkering, betreffen die feitelijke situatie.20.
4.12
Bij het vaststellen van de omvang van de inkomsten die de werknemer in redelijkheid in de toekomst kan verwerven dient de rechter een redelijke inschatting te maken van toekomstige ontwikkelingen. Daarbij dient hij de goede en kwade kansen af te wegen. De rechter heeft daarbij een aanzienlijke mate van vrijheid.21.
4.13
Vaste rechtspraak over de begroting van schade over verminderd arbeidsvermogen is dat het resultaat van de afweging die de rechter maakt in cassatie beperkt toetsbaar is, maar wel consistent en begrijpelijk dient te zijn.22.Die norm kan ook worden toegepast voor zover elementen van de vaststelling van de billijke vergoeding zien op de vergoeding van schade van de werknemer.
4.14
In de tweede plaats staat het gezichtspunt van de andere toekomstige inkomsten naast bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid aan de kant van de werkgever. Die mate van verwijtbaarheid kan nopen tot toekenning van een in totaal hoger of lager bedrag,23.eventueel vormgegeven door een bepaalde post wel of niet in aanmerking te nemen. Als geheel dient de billijke vergoeding uit te komen op een billijk bedrag.24.
4.15
Met betrekking tot de motivering van de hoogte van de billijke vergoeding heeft de Hoge Raad in New Hairstyle I en daarop volgende uitspraken geoordeeld dat de rechter in zijn motivering inzicht moet geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de billijke vergoeding hebben geleid.25.In Blue Circle heeft de Hoge Raad daaraan toegevoegd dat het oordeel over de hoogte van de vergoeding begrijpelijk moet zijn, mede in het licht van het debat dat partijen over de vergoeding hebben gevoerd.26.Het partijdebat is dus van invloed op de motiveringsplicht van de rechter over de hoogte van de vergoeding.27.Partijen doen er daarom goed aan aspecten als de waarde van de arbeidsovereenkomst, de arbeidsmarktpositie van de werknemer en/of de te verwachten werkloosheidsduur zoveel mogelijk met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen.28.
De aanspraak op en de omvang van een WW-uitkering en voortijdig ontslag
4.16
Welke feiten en omstandigheden van belang zijn voor de beslissing of en, zo ja, in welke mate, een WW-uitkering in mindering kan worden gebracht op de billijke vergoeding, kan mede worden afgeleid uit de regeling voor de aanspraak op die WW-uitkering in de Werkloosheidswet29.(hierna: WW). Ik beperk mij tot het bespreken van enkele hoofdlijnen van de regeling en een inventarisatie van mogelijke gevolgen van de toepassing daarvan op de situatie van een ontslagen werknemer waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Ik verwijs voor diverse uitzonderingen op de hoofdregels naar de wettekst en literatuur.
4.17
Een werknemer heeft recht op een uitkering op grond van de WW indien hij werkloos wordt (art. 15 WW). De werknemer wordt werkloos wanneer hij in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek over de 26 kalenderweken voorafgaand aan de kalenderweek waarin de werknemer minder uren heeft. Ook moet de werknemer beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden (art. 16 WW).
4.18
Voor het ontstaan van een recht op een uitkering is tevens vereist dat voldaan is aan de referte-eis: de werknemer moet in de 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek gewerkt hebben (art. 17 lid 1 WW).30.
4.19
De uitkeringsduur is ten minste drie maanden en ten hoogste 24 maanden (art. 42 lid 1 WW). De uitkeringsduur wordt verlengd indien voldaan wordt aan de ‘jareneis’. Indien de werknemer in de vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaand aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in ten minste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per kalenderjaar31.loon heeft ontvangen, wordt de uitkeringsduur verlengd met een maand voor ieder kalenderjaar arbeidsverleden voor de eerste tien jaren arbeidsverleden en voor ieder extra jaar arbeidsverleden met een maand (voor jaren na 2015) dan wel halve maand (voor jaren voor 2016) (art. 42 lid 2 WW).
4.20
Het is mogelijk dat de werknemer door het als gevolg van verwijtbaar handelen van de werkgever voortijdig eindigen van de arbeidsovereenkomst niet aan de jareneis voldoet, terwijl hij daar wel aan had voldaan als de arbeidsovereenkomst later – zonder ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever – was geëindigd. Bijvoorbeeld: een werknemer heeft een arbeidsverleden van januari 2010 t/m januari 2020. Hij was van januari 2020 t/m november 2021 werkloos en de arbeidsovereenkomst met de werkgever waarvoor hij sinds november 2021 werkt wordt in maart 2024 ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De rechter schat in dat de arbeidsovereenkomst nog twee jaar had voortgeduurd zonder dat ernstig verwijtbare handelen. In maart 2024 is niet voldaan aan de jareneis, terwijl daaraan in januari 2026 wel was voldaan. Als in zo’n geval de WW-uitkering als inkomstenbron in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding, lijkt het redelijk om in aanmerking te nemen dat die uitkering lager uitvalt dan naar verwachting zonder het ernstig verwijtbare handelen van de werkgever het geval was geweest.
4.21
Ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever is ook van invloed op de uitkeringsduur wanneer de werknemer wel voldoet aan de jareneis op het moment van het ontslag en de arbeidsovereenkomst naar verwachting een of meerdere jaren langer had geduurd bij gebreke van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Zonder het ernstig verwijtbare handelen maakte de werknemer op het latere moment van ontslag dan aanspraak op een uitkering met een uitkeringsduur van een maand langer voor ieder jaar dat de arbeidsovereenkomst langer zou duren.
4.22
Mogelijk is ook dat de verwachting is dat de werknemer langer werkloos zal zijn dan de voor hem geldende uitkeringsduur. In dat geval leidt de werknemer door het vroegtijdige ontslag schade doordat hij op een eerder moment geen uitkering meer ontvangt dan bij een later einde van de arbeidsovereenkomst – zonder ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever – het geval was geweest. Het lijkt uitgaande van dat scenario redelijk om de WW-uitkering niet of niet geheel in mindering te brengen op het gemiste loon.
4.23
Ook kan zich voordoen dat de verwachting is dat de werknemer voor het einde van de voor hem geldende uitkeringsduur een andere baan vindt. Is de verwachting dat geen nieuwe periode van werkloosheid ontstaat, dan heeft de werknemer geen schade in de vorm van het moeten aanspreken van zijn WW-rechten.
4.24
Als de werknemer vanuit die nieuwe baan opnieuw werkloos wordt kan het feit dat de werknemer eerder aanspraak heeft moeten maken op een WW-uitkering van invloed zijn op het recht op en de omvang en de duur van een toekomstige WW-uitkering.
4.25
Dat is niet het geval indien de werknemer na een periode waarin hij een WW-uitkering ontvangt een nieuwe baan vindt en daarna weer werkloos wordt, voldoet aan de referte-eis en de jareneis en het maandloon van het nieuwe recht op een uitkering meer dan 87,5% bedraagt van het maandloon van de eerdere uitkering (art. 21 lid 2 onder a WW). In dat geval ontstaat een nieuw recht op een uitkering en wordt bij het bepalen van de uitkeringsduur het gehele arbeidsverleden van de werknemer in aanmerking genomen. De maanden van de eerdere periode waarin de werknemer een uitkering ontving worden op de uitkeringsduur van die nieuwe uitkering niet in mindering gebracht.32.
4.26
In de navolgende scenario’s is het feit dat de werknemer eerder aanspraak heeft moeten maken op een WW-uitkering wel van invloed op het recht op en de omvang en duur van een volgende WW-uitkering.
4.27
Als de werknemer een nieuwe baan vindt voordat de uitkeringsduur is geëindigd en deze baan verliest voordat aan de referte-eis is voldaan, heeft de werknemer geen nieuw recht op een uitkering. In dat geval herleeft wel het eerdere recht op een uitkering (art. 21 lid 1 en lid 3, aanhef, slot en onder c WW).33.De werknemer heeft dan een uitkering voor de nog resterende duur van dat eerdere recht (art. 43 lid 1 WW).
4.28
Is bij een opvolgend intreden van werkloosheid wel aan de referte-eis maar niet aan de jareneis voldaan, dan heeft de werknemer recht op een WW-uitkering voor de minimale duur van drie maanden (art. 42 lid 1 WW). Was op het moment dat de werknemer een nieuwe baan vond een eerder recht op een uitkering nog niet geëindigd, dan wordt het nieuwe recht op een uitkering verlengd met de resterende duur van het beëindigde recht, of, als hij eerder over minder dan drie maanden een uitkering ontving, met de gehele duur van het beëindigde recht (art. 42b lid 1 WW).34.
4.29
Als een van deze laatste twee scenario’s zich verwezenlijkt, is het ‘opsouperen’ van de WW-uitkering (achteraf gezien) begonnen op het moment van het ontslag als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, terwijl het ‘opsouperen’ later was begonnen als de arbeidsovereenkomst op een later moment was geëindigd. Indien de verwachting is dat de kans bestaat dat een van deze scenario’s zich voordoet, kan het daarom redelijk zijn om de WW-uitkering niet of niet geheel in mindering te brengen op het loon dat de werknemer heeft gemist doordat de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever voortijdig eindigde. Daarvoor is te meer aanleiding als de kans dat een van deze scenario’s zich zal voordoen is vergroot als gevolg van dat ernstig verwijtbare handelen.35.Dat zou bijvoorbeeld zo kunnen zijn als het arbeidsmarktperspectief van de werknemer is verslechterd als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en als de verwachte periode van werkloosheid na het ontslag langer is dan wanneer de arbeidsovereenkomst later zonder ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever was geëindigd.
4.30
Een andere mogelijkheid is ten slotte dat de hoogte van een volgende WW-uitkering, na een nieuwe periode van werkloosheid, lager uitvalt dan de eerdere WW-uitkering volgend op het vroegtijdige ontslag van de werknemer als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.
Tussenconclusie
4.31
Uit het voorgaande blijkt dat er meerdere scenario’s zijn waarin het voortijdig eindigen van de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever ertoe leidt dat de werknemer in de periode nadien minder inkomsten heeft (billijke vergoeding + WW-uitkering + eventuele (tussentijdse) nieuwe baan) dan zonder dat ernstig verwijtbaar handelen het geval was geweest (loon + WW-uitkering + eventuele (tussentijdse) nieuwe baan). Als de verwachting is dat een of meer van die scenario’s zich zullen voordoen, is het redelijk om de WW-uitkering niet of niet geheel op het gemiste loon in mindering te brengen.
4.32
Bij de hoofdregel dat de billijke vergoeding moet worden vastgesteld in aansluiting op de uitzonderlijke omstandigheden van het geval (zie onder 4.3) past het echter niet om als vuistregel te formuleren dat het in beginsel wel of juist niet redelijk is om de WW-uitkering in mindering te brengen op het gemiste loon, zoals Werknemer met haar primaire rechtsklacht bepleit. Het is aan partijen om omstandigheden te stellen die ertoe aanleiding geven om de WW-uitkering wel of juist niet in mindering te brengen op het gemiste loon. Op basis daarvan kan de rechter door een afweging van de goede en kwade kansen een inschatting maken van in redelijkheid te verwachten toekomstige ontwikkelingen.
4.33
Op deze benadering van schadebegroting kan gecorrigeerd worden uit hoofde van de billijkheid, onder meer gelet op de mate van verwijtbaarheid van het gedrag van de werkgever.
Literatuur over het in aanmerken nemen van de WW-uitkering
4.34
De voorgestelde benadering vindt in zoverre steun in de literatuur dat ook daarin wordt gewezen op het risico dat de werknemer door het eerder intredende ontslag al eerder zijn uitkering ‘opsoupeert’ of dat de uitkering al eerder ‘verdampt’ dan bij een later ontslag – zonder ernstig verwijtbaar handelen – het geval zou zijn geweest. Volgens Boot & Elbers, Verhulp en Wetzels & Vestering zou dat reden moeten zijn om (zeer) terughoudend te zijn met het in mindering brengen van de WW-uitkering.36.Uit de onder 4.20 e.v. besproken scenario’s volgt dat enige terughoudendheid op zijn plaats kan zijn, maar dat de mate waarin afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.
4.35
Volgens Houweling e.a. hoort bij de billijke vergoeding ‘wellicht’ ook de compensatie voor het voortijdig aanspreken van de WW.37.
4.36
De genoemde auteurs gaan niet nader in op de werking van de regels van de WW in verschillende situaties. Boot & Elbers benoemen wel dat het in zijn geheel in mindering brengen van WW-uitkeringen niet logisch is in situaties waarbij te verwachten valt dat de werknemer langer werkloos zal zijn dan de periode dat hij recht heeft op een WW-uitkering.38.Hiervoor, onder 4.20 e.v., is uiteengezet dat er ook andere situaties zijn waarin dat niet logisch is. Verhulp en in navolging van hem ook Wetzels & Vestering, wijzen er in algemene zin op dat de werknemer ook recht zou hebben op de WW-uitkering als de arbeidsovereenkomst onder andere omstandigheden, zonder het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, zou zijn geëindigd.39.Uit wat hiervoor, onder 4.20 e.v., is uiteengezet blijkt dat dat op zichzelf niet doorslaggevend is. Feit is inderdaad dat de werknemer in de periode na het ernstig verwijtbare ontslag geen schade heeft voor zover hij een WW-uitkering ontvangt, althans tot de hoogte van die uitkering. De vraag is evenwel hoe groot het risico is dat hij op een later moment geen recht zal hebben op een WW-uitkering, of recht op een uitkering met een kortere uitkeringsduur, omdat hij al eerder een periode werkloos is geweest en op een eerder moment dan zonder verwijtbaar handelen van de werkgever, of recht heeft op een lagere WW-uitkering.
Feitenrechtspraak
4.37
In de toelichting op het cassatiemiddel wordt gewezen op verdeeldheid in de (appel)rechtspraak ten aanzien van het in mindering brengen van de WW-uitkering op de billijke vergoeding.40.Mede gelet daarop wordt hierna een beeld gegeven van de rechtspraak van (vooral) de gerechtshoven op dit punt. Naast de door partijen in de procesinleiding en het verweerschrift in cassatie genoemde beschikkingen en enkele in de literatuur genoemde beschikkingen zijn de zoekresultaten op rechtspraak.nl bekeken over de periode 1 januari 2024 t/m 9 juli 2025 waarin de zoektermen “billijke vergoeding” en ‘WW-uitkering’ voorkomen.
4.38
Uit de onderzochte uitspraken blijkt inderdaad dat gerechtshoven op uiteenlopende manieren omgaan met WW-uitkeringen bij het vaststellen van billijke vergoedingen. Over het algemeen lijken de verschillen echter terug te voeren op de omstandigheden van het geval en wat partijen hebben aangevoerd en niet, althans niet duidelijk, op verschillende opvattingen over hoe met de WW-uitkering zou moeten worden omgegaan bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding.
4.39
Gerechtshoven brachten de WW-uitkering iets vaker geheel in mindering dan dat zij de WW-uitkering niet of gedeeltelijk (niet) in mindering brachten.
4.40
In een aantal zaken waarin het hof de WW-uitkering geheel in mindering bracht verwachtte het hof dat de werknemer na afloop van de periode dat de arbeidsovereenkomst zonder het ernstig verwijtbare handelen van de werkgever zou hebben voortgeduurd ander werk zou hebben gevonden. Niet altijd blijkt daarbij overigens ook duidelijk dat dat de reden is dat het hof de WW-uitkering geheel in mindering brengt.41.Een enkele keer had de werknemer al ander werk gevonden en ging hij er in zijn eigen berekening ook vanuit dat hij bij de nieuwe werkgever werkzaam zou blijven42.of ging het hof ervan uit dat de werknemer na afloop van de periode waarop de billijke vergoeding ziet met vroegpensioen zou gaan.43.
4.41
Soms volgde het hof alleen de berekening van de werknemer.44.Het hof Arnhem-Leeuwarden deed dat in een beschikking van 29 februari 2024 ook, maar plaatste wel de kanttekening dat als de werknemer ander werk vindt en dat ook weer kwijtraakt, de eerder genoten WW-uitkering van belang is voor de duur van de latere WW-aanspraken. Gegeven deze kanttekening zag het hof aanleiding om geen verdere aftrek toe te passen voor de aan werkneemster toegekende transitievergoeding.45.
4.42
Het komt echter ook voor dat de WW-uitkering geheel in mindering wordt gebracht op de billijke vergoeding zonder dat ingegaan wordt op het arbeidsperspectief van de werknemer na afloop van de periode dat het dienstverband zonder het onregelmatige einde daarvan zou hebben voortgeduurd en/of op het arbeidsperspectief na afloop van de periode waarin de werknemer aanspraak zou kunnen maken op een WW-uitkering. Uit deze beschikkingen blijkt ook niet of partijen daarover wat hebben aangevoerd.46.
4.43
In enkele beschikkingen werd de WW-uitkering gedeeltelijk in mindering gebracht. Het hof Arnhem-Leeuwarden achtte in een beschikking van 11 juni 2018 de kans aanzienlijk dat de werkneemster gedurende de looptijd van de WW-uitkering in staat zal zijn om een nieuwe baan te vinden, maar achtte het niet terecht om het risico dat dat toch niet zou lukken geheel op haar af te wentelen.47.De rechtbank Amsterdam achtte in een beschikking van 13 juni 2023 van belang dat de werknemer zijn inkomensschade na gemotiveerde betwisting van de werkgever niet had onderbouwd, zodat niet bekend is wat de duur van de WW-uitkering is geweest en welke inspanningen de werknemer zich heeft getroost om een andere baan te vinden.48.
4.44
In een aantal zaken neemt de rechter de aanspraken van de werknemer op een WW-uitkering wel in aanmerking, maar blijkt uit de uitspraak niet voor welk bedrag.49.
4.45
In de meeste beschikkingen waarin gerechtshoven de WW-uitkering niet in mindering brengen, motiveren zij dat door te wijzen op de ernst van het verwijtbare handelen van de werkgever.50.
4.46
Het hof Den Haag achtte het in een beschikking van 7 juli 2020 in de omstandigheden van het geval ‘ongewenst’ dat de werkgever ‘zou profiteren’ van het feit dat de werknemer een WW-uitkering heeft genoten, te meer nu het hof de gefixeerde schadeloosstelling als bedoeld in art. 7:672 lid 11 BW wel in mindering had gebracht. ‘Dat zou immers een incentive vormen voor het door [de werkgever] vertoonde ernstig verwijtbare handelen.’51.In vergelijkbare zin oordeelt het hof Den Haag in een beschikking van 26 maart 2024, waarin het overweegt dat door het niet in mindering brengen van de WW-uitkering wordt tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen, omdat dit voor hen voordeliger is dan het in stand houden daarvan.52.Ook het hof Arnhem-Leeuwarden wees op de noodzaak dat de werkgever het eigen gedrag in toekomstige gevallen zou aanpassen.53.
4.47
Het hof ’s-Hertogenbosch bracht in een beschikking van 21 juli 2022 de WW-uitkering niet in mindering op de billijke vergoeding, maar verhoogde de vergoeding wel aanzienlijk (van € 56.000 naar € 100.000,-) gelet op de mate waarin de werkgever een verwijt valt te maken.54.
4.48
Soms wordt de WW-uitkering niet in mindering gebracht op de billijke vergoeding, omdat de werknemer nog geen ander werk heeft gevonden voordat de WW-uitkering is geëindigd,55.of omdat het hof verwacht dat de werknemer de gehele periode van de WW-uitkering nodig zal hebben om een andere baan te vinden.56.
4.49
In beschikkingen van het hof Den Haag en het hof ’s-Hertogenbosch werd de WW-uitkering niet in mindering gebracht omdat verwacht werd dat het dienstverband binnen relatief korte tijd toch tot een einde zou zijn gekomen, waarna de werknemer ook aanspraak had kunnen maken op een WW-uitkering.57.
4.50
Ten slotte kan nog genoemd worden een beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Limburg. Daarin werd de WW-uitkering niet in mindering gebracht op de loonderving, met het argument dat het niet zeker was of een WW-uitkering zal worden toegekend omdat het UWV zelfstandig beslist of sprake is van een dringende reden in de zin van art. 24 lid 2 WW. Het oordeel van de civiele rechter is daarvoor niet beslissend, zo overwoog de kantonrechter.58.De feiten waren zo dat niet op voorhand duidelijk was of het UWV zou beslissen of van een dringende reden sprake was.
4.51
Tegen de achtergrond van het voorgaande wordt hierna het cassatiemiddel besproken.
5. Bespreking van het cassatiemiddel
5.1
Het middelonderdeel is gericht tegen de hierna onderstreepte overwegingen uit rov. 3.36 en 3.39.
“3.36 Antonius voert in hoger beroep terecht aan dat de kantonrechter bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding van een te hoog salaris is uitgegaan. Ook wijst Antonius er terecht op dat geen rekening is gehouden met het recht op een WW-uitkering gedurende 24 maanden.
(…)
3.39
Het is in dit geval moeilijk om een vergelijking te maken tussen de huidige situatie en de hypothetische situatie waarin de re-integratie van [Werknemer] wel was verlopen zoals zij had gehoopt. Niet uit te sluiten is dat dit tot veel sneller herstel had geleid (zoals de bedrijfsarts aanvankelijk verwachtte) waarna het verbetertraject ingegaan zou zijn, dat wel of niet kon slagen. In het hypothetische geval dat het verbetertraject pas in 2024 aangevangen kon worden, zou dat omstreeks 1 augustus 2024 tot een oordeel hebben kunnen leiden of de arbeidsovereenkomst wel of niet zou kunnen worden voortgezet. De kans daarop schat het hof in op 50:50, omdat het hof niet kan inschatten of [Werknemer] langdurig in staat is meer ‘los te laten', zoals Antonius wilde.
In de huidige situatie heeft [Werknemer] niet de kans gekregen zich in een verbetertraject te bewijzen. Zij is, met uitzondering van de periode in het tweede spoor voor een aantal uren per week bij Certe, ruim drie-en-een-half jaar niet aan het werk geweest en haar arbeidsmarktperspectief is niet goed, terwijl zij zich terecht zorgen maakt over haar reputatie binnen haar branche en het mogelijke verlies van haar registratie bij gebrek aan werk.
Antonius stelt wel dat [Werknemer] met haar opleiding ook ander werk kan doen dan in een (ziekenhuis)laboratorium, maar concrete informatie over een alternatief met vergelijkbaar loon ontbreekt. Wel is aannemelijk dat [Werknemer] over enige tijd bij haar opleiding passend werk kan vinden in een andere branche, maar tegen een lager salaris. [Werknemer] heeft ter zitting onbetwist gesteld dat de door Antonius genoemde functie van biomedisch wetenschapper een salarisval geeft van tenminste € 80.000,- bruto per jaar.
Een en ander afwegend vindt het hof het redelijk om in dit geval, de goede en kwade kansen afwegend, tot uitgangspunt te nemen dat het dienstverband na 1 augustus 2024 nog twee jaar zou hebben voortgeduurd. Uitgaande van het dan geldende maandloon met emolumenten van € 11.367,35 bruto komt dat neer op bijna € 273.000,- bruto gemist loon. Het hof acht het redelijk daarvan af te trekken wat [Werknemer] in die periode aan WW-uitkering zou kunnen ontvangen. Gelet op het maximum dagloon is dat ongeveer € 4.305,- bruto per maand. Het hof gaat er in een alternatief scenario van uit dat [Werknemer] in de komende tijd een andere baan zal kunnen krijgen waarmee zij tenminste een bruto maandloon ter hoogte van de maximale WW kan verdienen. Dat leidt tot een aftrek van ruim € 103.000,- bruto over de twee jaar. Daarmee komt het geschatte inkomensverlies over twee jaar uit op € 170.000,- bruto.
In deze wijze van berekening wordt geen rekening gehouden met de duur van het dienstverband en de duur van de arbeidsongeschiktheid en het hof ziet ook geen reden om de uitkomst te matigen met het oog op die argumenten.
Voor het verhogen is evenmin aanleiding. Niet is gebleken dat bij Antonius sprake was van kwade opzet of een vooropgezet plan om re-integratieverplichtingen niet correct uit te voeren, wel van onvoldoende professionele regie. Het ernstige verwijt in verband met het staken van de loonbetaling in 2024 is ook al 'bestraft' met de maximale wettelijke verhoging.”
5.2
Onder 14 neemt het onderdeel tot uitgangspunt dat het hof geen motivering heeft gegeven voor zijn beslissing dat de WW-uitkering in mindering moet worden gebracht op het gemiste loon, anders dan dat het hof dat ‘redelijk’ acht (rov. 3.39) en dat Antonius er ‘terecht op wijst’ dat de kantonrechter geen rekening heeft gehouden met het recht op een WW-uitkering (rov. 3.36).59.
5.3
Onder 15 en 16 klaagt het onderdeel dat de beslissing van het hof rechtens onjuist is indien zij zo moet worden verstaan dat het hof is uitgegaan van de regel dat wanneer de billijke vergoeding in de zin van art. 7:671b lid 9 sub c BW wordt begroot op basis van het loon dat de werknemer nog zou hebben verdiend gedurende de periode dat het dienstverband na de ontbindingsdatum zou hebben voortgeduurd bij gebreke van het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever, het per definitie, ongeacht van de omstandigheden van het geval, steeds redelijk is om de WW-uitkering over die periode in mindering te brengen op de billijke vergoeding. Ook getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting indien het hof er als vuistregel van is uitgegaan dat het in mindering brengen van de WW-uitkering over die periode in beginsel redelijk is. Uitgaande van een van deze lezingen, heeft het hof miskend dat het in beginsel – behoudens bijzondere omstandigheden – juist niet is aangewezen om op het bedrag aan gemist loon de WW-uitkering in mindering te brengen bij het bepalen van de billijke vergoeding, althans dat het steeds afhankelijk is van de omstandigheden van het geval of de billijkheid vereist dat de WW-uitkering waarop de werknemer mogelijk aanspraak kan maken in mindering wordt gebracht, aldus nog steeds het onderdeel.
5.4
In de toelichting op het cassatiemiddel wordt (onder (i) en (ii)) een beroep gedaan op de hiervoor onder 4.8 aangehaalde overweging uit New Hairstyle I dat de rechter bij de vaststelling van de billijke vergoeding ook rekening kan houden met inkomsten die de werknemer inmiddels uit ander werk geniet en met (andere) inkomsten die hij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven.
5.5
Onder (iii) van de toelichting wordt, onder verwijzing naar de literatuur (onder v t/m ix; ook hiervoor besproken onder 4.34-4.36), aangevoerd dat er weinig billijks aan is om in een geval waarin de werkgever een arbeidsovereenkomst ernstig verwijtbaar tot een einde heeft laten komen, ten gunste van de werkgever met de door de werknemer opgebouwde WW-aanspraken rekening te houden door ervan uit te gaan dat de werknemer die aanspraken na het ernstig verwijtbare ontslag maar moet aanspreken en opsouperen in het tijdvak waarin hij dat zonder het ernstig verwijtbare gedrag nog niet had behoeven te doen, omdat hij dan nog in dienst was geweest en aanspraak had gehad op loon. Zo bezien is het in mindering brengen van de WW-aanspraken van de werknemer gedurende dat tijdvak op de billijke vergoeding in feite niets anders dan een beloning voor ernstige vormen van slecht werkgeverschap.
5.6
Onder (iv) stelt de toelichting daarnaast dat bij aftrek van de WW-uitkering een deel van de schade die de werkgever met zijn ernstig verwijtbare gedrag heeft veroorzaakt, ten laste wordt gebracht van de sociale zekerheidsfondsen en de werknemer zelf. De werknemer moet zijn opgebouwde WW-aanspraken aanwenden om de schadelijke gevolgen van de (premature beëindiging van zijn dienstverband door) het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever te beperken en ziet zijn WW-aanspraken daardoor verdampen. Dat is in een onbillijke uitkomst, die in beginsel juist niet in de rede ligt.
5.7
Onder (x) t/m (xii) plaatst het onderdeel de hiervoor weergegeven argumenten in het kader van het leerstuk van de schadebeperkingsplicht en de in dat verband geldende rechtsregel dat in redelijkheid van de schuldeiser niet mag worden verlangd dat hij maatregelen ter beperking van de schade treft die voor hem min of meer bezwarend zijn, wanneer de schuldenaar de schade kan beperken door alsnog zijn verbintenis na te komen.60.Het – ten gunste van de werkgever – in mindering brengen van de WW-uitkering op de billijke vergoeding komt er volgens het onderdeel op neer dat van de werknemer wordt verwacht dat hij de schade bestaande in premature beëindiging van het dienstverband ten gevolge van ernstig verwijtbaar werkgeversgedrag, zelf beperkt door na de ernstig verwijtbare beëindiging op een WW-uitkering aanspraak te maken over de periode waarin het dienstverband zonder dat ernstig verwijtbare gedrag nog zou hebben voortgeduurd. Deze vorm van schadebeperking is voor de werknemer bezwarend, omdat hij daardoor WW-aanspraken ziet verdampen die hij anders wellicht (pas) later had moeten, of willen, aanwenden om in zijn levensonderhoud te voorzien, bijvoorbeeld na ontslag uit een volgend dienstverband, of wanneer de periode van werkloosheid langer duurt dan de periode waarvoor de billijke vergoeding een financiële compensatie beoogt te bieden. Door de WW-aanspraken niet in mindering te brengen op een billijke vergoeding wordt (in elk geval: in uitkomst) juist gerealiseerd dat de schuldenaar – hier de werkgever – zijn verbintenis tot loonbetaling nakomt tot het moment waarop hij dat als zorgvuldig handelend werkgever had moeten doen.
5.8
Onder (xiii) - (xx) van de toelichting wordt een beroep gedaan op de feitenrechtspraak, waarin de hiervoor genoemde argumenten terug zouden te zien zijn.61.Antonius vraagt de Hoge Raad richting te geven in deze zaak voor de manier waarop om te gaan met inkomsten uit een WW-uitkering bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding vanwege de verdeeldheid in de (appel)rechtspraak op dit punt.62.
5.9
Onder 17 bevat het onderdeel de motiveringsklacht voor het geval het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dat het hof onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom aftrek van de WW-uitkering waarop Werknemer mogelijk aanspraak zou kunnen maken in de omstandigheden van dit geval redelijk is. Volgens het onderdeel klemt dit te meer, omdat Werknemer bij verweerschrift in hoger beroep (randnr. 56) heeft bepleit waarom die aftrek (in dit geval) niet redelijk is en had het hof daarop moeten responderen, zeker nu het aanleiding heeft gezien om op de billijke vergoeding een zeer aanzienlijk bedrag, van ruim € 100.000,- bruto, in mindering te brengen.
5.10
Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
5.11
Hoewel het hof dat niet met zoveel woorden overweegt, blijkt uit de eerste vier alinea’s van rov. 3.39, in samenhang gelezen, dat het hof met zijn overweging dat het het redelijk acht van het gemiste loon af te trekken wat Werknemer in die periode aan WW-uitkering zou kunnen ontvangen, bedoeld heeft dat het het in dit geval redelijk acht om de WW-uitkering van het gemiste loon af te trekken. De eerste vier alinea’s van rov. 3.39 hebben alle betrekking op de vergelijking tussen de huidige situatie en de hypothetische waarin de re-integratie van Werknemer was verlopen zoals zij had gehoopt. Het hof bespreekt daarin uitgebreid de omstandigheden op basis waarvan het hof het inkomensverlies van Werknemer schat. Voor zover het onderdeel uitgaat van een andere lezing van de bestreden beschikking, mist het feitelijke grondslag.
5.12
Dat het hof op basis van de feiten en omstandigheden van het geval heeft beoordeeld of de WW-uitkering in mindering moet worden gebracht op de billijke vergoeding, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat is hiervoor uiteengezet (zie met name onder 4.31-4.33). Er zijn meerdere scenario’s waarin het voortijdig eindigen van de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever ertoe kan leiden dat de werknemer in de periode nadien minder inkomsten heeft, bijvoorbeeld omdat de werknemer dan al eerder zijn uitkering ‘opsoupeert’. Indien naar het oordeel van de rechter de redelijke verwachting bestaat dat een of meer van die scenario’s zich zullen voordoen, past het om de WW-uitkering niet, of gedeeltelijk, in mindering te brengen. Het is wel aan de werknemer om aan te voeren dat en waarom de kans bestaat dat zo’n scenario zich zal voordoen.
5.13
Het betoog in de schriftelijke toelichting onder (iii) stuit hierop af. Het in mindering brengen van de WW-uitkering kan niet zonder meer als een beloning voor ernstige vormen van slecht werkgeverschap worden aangemerkt. Feitelijk niet, omdat de werkgever niet per se beter af is als hij voor een werknemer die geen werkzaamheden meer voor hem verricht een billijke vergoeding moet betalen waarop de WW-uitkering in mindering wordt gebracht, dan wanneer de werknemer nog in dienst was geweest. Dat neemt niet weg dat de rechter met de ernst van de verwijtbaarheid wel rekening kan houden bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding.
5.14
Hierop voortbouwend is het, anders dan in de schriftelijke toelichting onder (iv) wordt betoogd, dus ook niet per definitie zo dat de werknemer een deel van de schade zelf draagt als de WW-uitkering op de billijke vergoeding in mindering wordt gebracht. Vindt hij tijdig een andere baan en ontstaat na een eventuele opvolgende werkloosheid een nieuw uitkeringsrecht waarbij de werknemer aan de jareneis voldoet, dan is dat bijvoorbeeld niet het geval. Onjuist is verder dat het in mindering brengen van de WW-uitkering op de billijke vergoeding ertoe lijdt dat een deel van de schade van het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever ten laste komt van de sociale zekerheidsfondsen. Of het UWV een uitkering toekent, wanneer en van welke hoogte en duur is niet afhankelijk van de hoogte van de billijke vergoeding.63.
5.15
Toepassing van het leerstuk van de schadebeperkingsplicht op de vraag wanneer de rechter de WW-uitkering in mindering moet brengen op het gemiste loon, leidt niet tot een andere uitkomst. Ook vanuit dat perspectief bezien dient de werknemer wel feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat het niet redelijk is de WW-uitkering (gedeeltelijk) in mindering te brengen op het gemiste loon, omdat aannemelijk is dat de werknemer zijn aanspraken op een WW-uitkering zal opsouperen. Overigens is de rechtsregel waarop het onderdeel zich beroept (namelijk dat in redelijkheid van de schuldeiser niet mag worden verlangd dat hij maatregelen ter beperking van de schade treft die voor hem min of meer bezwarend zijn, wanneer de schuldenaar de schade kan beperken door alsnog zijn verbintenis na te komen) niet een-op-een toe te passen op de vraag of de WW-uitkering op een billijke vergoeding in mindering moet worden gebracht of niet. De werkgever komt zijn verbintenis niet alsnog na als de WW-uitkering niet op de billijke vergoeding in mindering wordt gebracht, omdat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Hij betaalt een hogere billijke vergoeding over de periode gelegen nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd als de WW-uitkering daarop niet in mindering wordt gebracht. Voor de werknemer geldt dat hij aanspraak kan maken op de WW-uitkering als hij werkloos is geworden, ongeacht of de uitkering in mindering op de billijke vergoeding wordt gebracht.
5.16
Ook de onder 17 aangevoerde motiveringsklacht slaagt niet. Het hof verbindt de zin waarin het overweegt dat het het redelijk acht de WW-uitkering in aftrek te brengen tekstueel gezien niet met de daaraan voorafgaande en daarop volgende zin, maar daardoor kan in dit geval niet worden gezegd dat het hof dat redelijkheidsoordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. Het hof overweegt in de derde alinea namelijk wel dat het aannemelijk is dat Werknemer over enige tijd bij haar opleiding passend werk kan vinden in een andere branche, maar tegen een lager salaris. In de vierde alinea overweegt het hof bovendien dat het hof er in een alternatief scenario vanuit gaat dat Werknemer in de komende tijd een andere baan zal kunnen krijgen waarmee zij tenminste een bruto maandloon ter hoogte van de maximale WW kan verdienen. Kennelijk verwacht het hof dat Werknemer voor het einde van de WW-uitkeringsduur van 24 maanden een andere baan zal kunnen vinden waarmee zij tenminste een bruto maandloon ter hoogte van de maximale WW-uitkering kan verdienen en acht het hof het (mede) daarom redelijk om de WW-uitkering van het gemiste loon af te trekken.
5.17
De overwegingen van het hof vormen in het licht van het partijdebat een voldoende motivering en zijn niet onbegrijpelijk.
5.18
Werknemer heeft op het in het onderdeel aangehaalde randnr. 56 van het verweerschrift in hoger beroep aangevoerd:
“De WW-uitkering speelt geen rol, omdat [Werknemer] ook recht zou hebben gehad op die uitkering als de arbeidsovereenkomst op een later moment zou zijn geëindigd. Zij is door de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst gedwongen die aanspraak nu al op te souperen (zie in gelijke zin ook W.J.J. Wetzels en P.G. Vestering, SDU Commentaar Burgerlijk Wetboek Thematisch Boek 7: 681 BW sub 5, 7e alinea).”
5.19
Namens Antonius is in het beroepschrift gesteld dat Werknemer met haar arbeidsverleden in aanmerking zal komen voor de maximale duur van een WW-uitkering van 24 maanden en dat die uitkering in mindering dient te worden gebracht op de billijke vergoeding. Ook heeft Antonius gesteld:64.
“De kans dat [Werknemer] een baan vindt met een hoger salaris is groot. Van [Werknemer] mag namelijk verwacht worden dat zij solliciteert op passende functies. [Werknemer] heeft met haar afgeronde opleiding biomedische wetenschappen meer mogelijkheden dan alleen de functie klinisch chemicus. Zo kan zij bijvoorbeeld aan het werk in de functies onderzoeker, medisch immunoloog, bio-informaticus, beleidsmedewerker, analist.”
5.20
Werknemer heeft haar stelling dat zij door de ontbinding van de arbeidsovereenkomst gedwongen is om haar WW-aanspraak al op te souperen niet concreet onderbouwd. De stelling van Antonius dat de kans groot is dat ze een baan vindt in een passende functie, heeft Werknemer niet gemotiveerd weersproken.65.Zij heeft bijvoorbeeld ook niet gesteld dat er omstandigheden zijn, zoals de toestand op de arbeidsmarkt, waardoor de kans aanzienlijk is dat zij een nieuwe baan snel weer zal verliezen waarna het feit dat zij eerder aanspraak heeft moeten maken op een WW-uitkering van invloed kan zijn op de omvang en duur van de uitkering waarop ze dan aanspraak zou maken, zodat ze in feite na het einde van de arbeidsovereenkomst met Antonius is begonnen met het ‘opsouperen’ van haar WW-aanspraken. Ook is niets gesteld over de hoogte van een eventuele opvolgende WW-uitkering.
5.21
De slotsom is dat het cassatiemiddel tevergeefs is voorgesteld.
6. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑09‑2025
Hof Arnhem-Leeuwarden 18 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7011, RAR 2025/26, AR-Updates 2024-1455, Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2024/428, rov. 3.2, 3.6, 311, 3.15, 3.18, 3.21 en 3.22.
Hof Arnhem-Leeuwarden 23 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10136.
Rb. Noord-Nederland 8 mei 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1856, RAR 2024/115, AR-Updates 2024/659, Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2024/211.
Bij randnr. 23 van de pleitaantekeningen van Werknemer in eerste aanleg worden haar WW-aanspraken wel genoemd. Gesteld wordt: “De inkomensval voor Werknemer is enorm: van een brutosalaris van (…) € 12.331 bruto per maand, naar een max-WW-uitkering ad (…) € 4.178 bruto. (…) met het aanzienlijke risico dat zij na ommekomst van de maximale uitkeringstermijn van 24 maanden nog verder in inkomen achteruit te gaan.”
Beroepsschrift, randnr. 83.
Werknemer heeft ook erkend dat de kantonrechter de transitievergoeding te hoog heeft berekend en is uitgegaan van een te hoog brutoloon over de maanden in 2024. Zie bestreden beschikking, rov. 2.3, 3.31, 3.42, 3.43, waar het hof ook overweegt dat partijen ter zitting ook afspraken gemaakt over door Antonius te betalen advocaatkosten en het achterstallig loon.
Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 56.
Zie bestreden beschikking, rov. 3.44.
Voor wat betreft de in het dictum bij het vierde en achtste opsommingsteken genoemde bedragen verwijs ik naar rov. 2.3 en 3.42 t/m 3.44 en het p-v in hoger beroep, p. 9. Deze bedragen zijn in cassatie niet meer in geschil.
Zie art. 7:671b, lid 9, onder c en lid 10 en 7:671c lid 2, onder b en lid 3 onder b BW (ontbinding van de arbeidsovereenkomst), art. 7:673 lid 9 BW (beëindiging van de arbeidsovereenkomst van rechtswege), art. 7:681 BW (na vernietigbare opzegging door de werkgever), art. 7:682 BW (na opzegging; werknemer kiest niet voor herstel van de arbeidsovereenkomst), art. 7:683 BW (indien in hoger beroep wordt geoordeeld dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet had mogen ontbinden en/of een verzoek tot vernietiging of herstel ten onrechte is afgewezen, maar herstel op dat moment niet meer in de rede ligt).
Kamerstukken I 2013/14, 33 818, C, p. 65-66, 99 (MvA); HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, NJ 2017/298, m.nt E. Verhulp, JAR 2017/188, m.nt A. Baris, JIN 2017/171, m.nt I.H. Kersten, Prg 2017/228, m.nt J.J.M. de Laat, TRA 2017/92, m.nt M.S.A. Vegter (New Hairstyle I), rov. 3.4.2; HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878, NJ 2019/170, m.nt E. Verhulp, JIN 2018/125, m.nt B.J. Sap, TRA 2018/79, m.nt M.S.A. Vegter (Zinzia), rov. 3.3.2. Vgl. HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:857, NJ 2019/171, m.nt E. Verhulp, JAR 2018/168, m.nt A. Baris, JIN 2018/126, m.nt B.J. Sap, TRA 2018/78, m.nt D.J. Buijs ([…] ), rov. 3.4.2, 3e alinea; HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218, NJ 2019/173, m.nt. E. Verhulp, JAR 2019/15 m.nt. M.S.A. Vegter, RAR 2019/41 m. wenk (ServiceNow), rov. 3.4.4.
Kamerstukken II 2013/14, 333 818, nr. 3, p. 32-34 (MvT); Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr.7, p. 81; Kamerstukken I 2013/14, 33 818, C, p. 65-66, 99 (MvA). Zie bijv. ook Asser/Heerma van Voss 7-V 2020/445c.
HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218, NJ 2019/173, m.nt E. Verhulp, JAR 2019/15, m.nt M.S.A. Vegter, RAR 2019/41 m. wenk (ServiceNow), rov. 3.4.2. De zaak heeft betrekking op het toenmalige art. 7:671b lid 8 BW. Dit achtste lid is met inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans vernummerd naar het lid 9 (Stb. 2019, 219, i.w. Stb. 2019, 266 474).
Deze samenvatting is grotendeels ontleend aan mijn conclusie in de zaak New Hairstyle II: ECLI:NL:PHR:2020:360, voor: HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1312, JIN 2020/130, m.nt. A. Merks, NJ 2020/309, JAR 2020/199 (New Hairstyle II), onder 5.12-5.13. Zie nader over de gezichtspunten bijv. Asser/Heerma van Voss 7-V 2020/445c; A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 163 e.v.; C.J. Frikkee en M.E. Smorenburg, ‘De billijke vergoedingen, lessen van de Hoge Raad’, ArbeidsRecht 2021/27, onder 4.
Zie bijv. HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:857, NJ 2019/171, m.nt E. Verhulp, JAR 2018/168, m.nt A. Baris, JIN 2018/126, m.nt B.J. Sap, TRA 2018/78, m.nt D.J. Buijs (….), rov. 3.4.2.
Zie bijv. N. Jansen & R. Rietveld, ‘De begroting van de billijke vergoeding in het arbeidsrecht’, TAP 2017/4, p. 182; D. van Gerven & D.A.D. Mees, ‘De billijke vergoeding anno 2020: guidance van de Hoge Raad, maar partijen zijn nu echt zelf aan zet’, TAP 2020/295, p. 13; F.J.L. Pennings & L.C.J. Sprengers (red.), Ontslagrecht in hoofdlijnen (Monografieën Sociaal Recht nr. 72), Deventer: Wolters Kluwer 2020, par. 5.3.6; A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 167; W.H.A.C.M. Bouwens & D.M.A. Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 30.9.
Vgl. Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 7, p. 70.
Vgl. E. Verhulp, annotatie bij: hof 's-Hertogenbosch 21 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2496, JAR 2022/263.
Vgl. mijn conclusie, ECLI:NL:PHR:2020:360, voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1312, JIN 2020/130, m.nt. A. Merks, JAR 2023/74 (New Hairstyle II) (81 lid 1 RO), onder 5.17 en 5.21-5.22 en 5.25 en bijiv. E. Verhulp, annotatie bij ECLI:NL:GHSHE:2022:2496, JAR 2022/263, p. 2587; concl. A-G Van Peursum ECLI:NL:PHR:2022:948, voor HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:138, JIN 2023/60, m.nt R. de Vos & A. van der Vis, onder 4.11 en 4.14.
Vgl. nog voor de Wet werk en zekerheid: G.J.J. Heerma van Voss e.a., ‘Begroot, schat, vergoed en bewonder: de begroting van de kennelijk onredelijk ontslagvergoeding na 12 februari 2010’, TRA 2010/47.
Vgl. HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:568, JA 2024/81, m.nt E.W. Bosch, JIN 2024/128, m.nt R. Zwanenberg, rov. 3.1.2.
HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590, NJ 2022/172, JA 2022/93, m.nt E.W. Bosch, rov. 3.1.1; HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115, JA 2017/57, m.nt E.W. Bosch, rov. 3.3.2.
Zie op dat punt ook HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878, NJ 2019/170, m.nt E. Verhulp, JIN 2018/125, m.nt B.J. Sap, TRA 2018/79, m.nt M.S.A. Vegter (Zinzia), rov. 3.3.5 en bijv. A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 163.
Zie in deze zin ook G.C. Boot & M.C. Elbers, ‘Toepassing van de New Hairstyle-criteria door de gerechtshoven’, ArbeidsRecht 2021/28, par. 6, die ervan uitgaan dat de billijke vergoeding, gelet op de benaming en vanwege de door de Hoge Raad genoemde omstandigheid van ‘de mate van verwijtbaarheid’, geen zuivere schadevergoeding betreft. En zie ook: .R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 167-168.
Rov. 3.4.2. Zie ook HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:857, NJ 2019/171 m.nt. E. Verhulp, JAR 2018/168 m.nt. A. van Zanten-Baris, JIN 2018/126 m.nt. B.J. Sap, TRA 2018/78 m.nt. D.J. Buijs ( […] ), rov. 3.3.3; HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218, NJ 2019/173, m.nt. E. Verhulp, JAR 2019/15 m.nt. M.S.A. Vegter, RAR 2019/41 m. wenk (ServiceNow), rov. 3.4.4; HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:955, JAR 2020/164, m.nt A. Baris, JIN 2020/111, m.nt R.D. Rietveld, TRA 2020/64, m.nt M.D. Ruizeveld (Blue Circle), rov. 3.2.2.
HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:955, JAR 2020/164, m.nt A. Baris, JIN 2020/111, m.nt R.D. Rietveld, TRA 2020/64, m.nt M.D. Ruizeveld (Blue Circle), rov. 3.2.2. Zie ook HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218, NJ 2019/173, m.nt. E. Verhulp, JAR 2019/15 m.nt. M.S.A. Vegter, RAR 2019/41 m. wenk (ServiceNow), rov. 3.4.2 waarin de Hoge Raad overwoog dat de rechter, indien het partijdebat daartoe aanleiding geeft, de gevolgen voor de werknemer van het verlies van de arbeidsovereenkomst, voor zover deze zijn toe te rekenen aan het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever, kenbaar dient te betrekken bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding.
Zie bijv. B. Barentsen & S.F. Sagel, ‘Kroniek van het Sociaal Recht’, NJB 2017/1913, par. 8, laatste alinea; S. van de Kam & M.S. Postma, ‘Het ‘Hairstyle-arrest’: gevolgen voor de ontslagpraktijk’, ArbeidsRecht 2017/49, par. 5; E. Verhulp, annotatie bij: HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218, NJ 2019/173 (ServiceNow), par. 5; M.D. Ruizeveld, annotatie bij HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:955, TRA 2020/64 (Blue Circle), par. 3; C.J. Frikkee & M.E. Smorenburg, ‘De billijke vergoedingen, lessen van de Hoge Raad’, ArbeidsRecht 2021/27, par. 6 en 7; D. van Gerven & D.A.D. Mees, ‘De billijke vergoeding anno 2020: guidance van de Hoge Raad, maar partijen zijn nu echt zelf aan zet’, TAP 2020/295, p. 5; Van Peursem 22/00637 (voor HR 2023), 4.11. Zie ook mijn conclusies ECLI:NL:PHR:2018:185, voor HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878, NJ 2019/170, m.nt E. Verhulp, JIN 2018/125, m.nt B.J. Sap, TRA 2018/79, m.nt M.S.A. Vegter (Zinzia), onder 3.24, 4.11 en ECLI:NL:PHR:2019:1386 voor HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:955, JAR 2020/164, m.nt A. Baris, JIN 2020/111, m.nt R.D. Rietveld, TRA 2020/64, m.nt M.D. Ruizeveld (Blue Circle), onder 3.5, 3.6, 3.30.
Werkloosheidswet, Stb. 1986, 566, laatst gewijzigd bij Stb. 2022, 509 samen met Stb. 2019, 144.
Genoemd kan verder nog worden dat een werknemer geen recht heeft op een uitkering als een van de in art. 19 WW genoemde uitsluitingsgronden zich voordoet. Ook weigert het UWV de uitkering tijdelijk of blijvend of brengt een bedrag op de uitkering in mindering als de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden of blijft. Dat is bijvoorbeeld het geval indien aan de werkloosheid een dringende reden zoals bedoeld in art. 7:678 BW ten grondslag ligt, die de werknemer in overwegende mate kan worden verweten (art. 24 lid 1 onder a, lid 2 onder a en art. 27 lid 1 WW) of wanneer de werknemer in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen of eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren (art. 27 lid 3 jo. 24 lid 1 onder b, onder 1 en 4 WW).
Voor de jaren voor 2013 geldt dat de werknemer over 208 of meer uren per kalenderjaar loon moet hebben ontvangen
Alleen die gevolgen van het ontslag moeten bij het vaststellen van de billijke vergoeding in aanmerking worden genomen die zijn toe te rekenen aan het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Zie HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, NJ 2017/298, m.nt E. Verhulp, JAR 2017/188, m.nt A. Baris, JIN 2017/171, m.nt I.H. Kersten, Prg 2017/228, m.nt J.J.M. de Laat, TRA 2017/92, m.nt M.S.A. Vegter (New Hairstyle I), rov. rov. 3.4.3.
G.C. Boot & M.C. Elbers, ‘Toepassing van de New Hairstyle-criteria door de gerechtshoven’, ArbeidsRecht 2021/28, onder 10; E. Verhulp, annotatie bij: hof 's-Hertogenbosch 21 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2496, JAR 2022/263; E. Verhulp, in: T&C Arbeidsrecht, afdeling 9 van boek 7 BW, inleidende opmerkingen, aant. 4; W.J.J. Wetzels &P.G. Vestering, SDU Commentaar Arbeidsrecht Thematisch Boek 7, art. 7:681 BW, par. 5, 8e alinea (actueel t/m 21 juli 2024).
A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 163.
G.C. Boot & M.C. Elbers, ‘Toepassing van de New Hairstyle-criteria door de gerechtshoven’, ArbeidsRecht 2021/28, onder 10.
E. Verhulp, annotatie bij: hof 's-Hertogenbosch 21 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2496, JAR 2022/263; E. Verhulp, in: T&C Arbeidsrecht, afdeling 9 van boek 7 BW, inleidende opmerkingen, aant. 4 (bijgewerkt t/m 01-03-2025); W.J.J. Wetzels &P.G. Vestering, SDU Commentaar Arbeidsrecht Thematisch Boek 7, art. 7:681 BW, par. 5, 8e alinea (actueel t/m 21 juli 2024).
Procesinleiding, p. 18, onder (xiii), tekst in kleiner lettercorps.
Hof Amsterdam 9 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:458, rov. 3.16-3.17; hof Den Haag 28 mei 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:806, rov. 6.11; hof Arnhem-Leeuwarden 26 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5382, rov. 9.2-9.3, 9.7.2-9.7.3; hof Den Haag 12 november 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2278, rov. 6.29-6.31. Vgl. ook hof Den Haag 6 augustus 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2034, rov. 31. Het hof 's-Hertogenbosch 19 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1594, rov. 3.6.2 bracht de WW-uitkering die de werknemer gedurende 20 maanden ontving in mindering, terwijl het verwachtte dat de arbeidsovereenkomst, de opzegging weggedacht, nog 2,5 jaar had voortgeduurd. Het hof verwachtte dat de werknemer binnen 2,5 jaar een nieuwe baan, althans als ondernemer een nieuwe inkomstenbron zal vinden.
Hof 's-Hertogenbosch 21 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2496, JAR 2022/263, m.nt E. Verhulp, rov. 3.29, 3.32. In deze zaak verhoogde het hof de op basis van een vermogensvergelijking berekende bedragen wel gelet op de mate waarin de werkgever een verwijt valt te maken (rov. 3.30).
Hof Den Haag 24 januari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:125, rov. 3.30, 3.34. In deze zaak had de werknemer de WW-uitkering in zijn eigen berekening ook in mindering gebracht.
Hof Arnhem-Leeuwarden 14 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6312, rov. 4.17-4.18; hof Den Haag 12 november 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2278, rov. 6.31; hof Den Haag 10 december 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2394, rov. 6.11.
Hof Arnhem-Leeuwarden 29 februari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1531, rov. 3.37.
Hof Amsterdam 25 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1475, rov. 3.10; hof Arnhem-Leeuwarden 31 augustus 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8305, rov. 4.10; hof Arnhem-Leeuwarden 26 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5382, rov. 3.25-3.27. In hof Amsterdam 12 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:29, rov. 3.9 bracht het hof Amsterdam naast de WW-uitkering ook de uitkering van een particuliere verzekering die de werknemer had afgesloten als aanvulling op de WW in mindering op het gemiste loon.
Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5383, rov. 5.22.
Hof Amsterdam 13 juni 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1369, rov. 3.29-3.30.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 28 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1915, rov. 5.14; hof ’s-Hertogenbosch 18 februari 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:486, rov. 6.6.1-6.6.2; hof Arnhem-Leeuwarden 8 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1695, rov. 3.64-3.65; hof ’s-Hertogenbosch 27 juni 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2096, rov. 3.11.10. Vgl. hof ’s-Hertogenbosch 28 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1665, rov. 3.9.3, waarbij het hof in aanmerking neemt dat de werknemer aanspraak heeft gemaakt of heeft kunnen maken op een bijstandsuitkering.
Hof Den Haag 7 juli 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1123, rov. 8.4; hof Arnhem-Leeuwarden 29 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:693, rov. 3.25-3.26; hof Den Haag 26 maart 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:371, rov. 5.31; hof Arnhem-Leeuwarden 22 oktober 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2943, rov. 5.9. Zie ook Rb. Noord-Nederland 22 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1155, rov. 5.20. Het hof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1922, JAR 2024/123, m.nt J.H. Bennaars, rov. 3.28 zag in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om de eventuele WW-uitkering van de werknemer op de vergoeding in mindering te brengen. Het hof noemt niet expliciet de ernst van de verwijtbaarheid van het handelen van de werkgever.
Hof Den Haag 7 juli 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1123, rov. 8.4.
Hof Den Haag 26 maart 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:371, rov. 5.31.
Hof Arnhem-Leeuwarden 29 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:693, rov. 3.25-3.26.
Het hof 's-Hertogenbosch 21 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2496, JAR 2022/263, m.nt E. Verhulp, rov. 3.30.
Zie bijv. Hof Amsterdam 9 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:19, rov. 5.31.
Hof ’s-Hertogenbosch 26 september 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3023, rov. 6.4.3.
Hof 's-Hertogenbosch 20 mei 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1479, rov. 3.14; hof Den Haag 9 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2051, rov.4.11.
Rechtbank Limburg 12 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5538, rov. 4.20.4.
Zie procesinleiding, randnr. 14.
Het middel verwijst onder (xii) naar Asser/Sieburgh 6-II 2021/125 en 126 en de daar genoemde rechtspraak: HR 30 april 1926, NJ 1926/835; HR 13 januari 1928, NJ 1928/324; HR 24 april 1931, NJ 1931/1321 en meer recent HR 29 mei 1998, NJ 1998/641 en HR 11 juni 2020, NJ 2010/333.
Procesinleiding, p. 18-23, onder (xiii)-(xx).
Procesinleiding, p. 18, onder (xiii), tekst in kleiner lettercorps.
In de literatuur wordt mijns inziens terecht aangenomen dat de billijke vergoeding bij het bepalen van de ingangsdatum van het recht op een WW-uitkering en de omvang van die uitkering niet in aanmerking moet worden genomen. Zie D.M.A. Bij de Vaate, 'De billijke vergoeding en haar WW-consequenties', TRA 2018/106, G.C. Boot, USZ 2018/260, P.S. Fluit, JAR 2018/232 en A. Rebel, RSV 2018/225, die allen kritisch reageren op een uitspraak van de Rb. Rotterdam 23 mei 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:3953. Boot en Rebel wijzen erop dat de Gelijkstellingsregeling arbeidsuren (laatstelijk gewijzigd Stcrt. 2021, 48016) niet voorziet in het gelijkstellen van een billijke vergoeding met loon. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam had betrekking op een werkneemster die op 15 december 2015 op staande voet was ontslagen. Het hof Den Haag oordeelde dat de vernietiging van het ontslag op staande voet van de werknemer ten onrechte was afgewezen en kende aan de werkneemster een billijke vergoeding toe op grond van art. 7:683 lid 3 BW, in plaats van herstel van de arbeidsrelatie. Daarbij nam het hof tot uitgangspunt dat de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2016 zou zijn geëindigd, omdat sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding. (Hof Den Haag 13 december 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3611, AR 2016/3788). Het UWV verschoof vervolgens de eerste dag dat de werkneemster recht had op een WW-uitkering van 16 december 2015 naar 1 juli 2016 en vorderde het te veel betaalde bedrag terug. Het bezwaar van werkneemster tegen dit besluit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam liet het besluit in stand. Volgens de rechtbank volgt uit de beschikking van het hof Den Haag dat eiseres vanaf 1 juli 2016 een verlies aan arbeidsuren had. Vgl. CRvB 14 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2538, USZ 2021/392, waarin de Centrale Raad van Beroep een contractueel overeengekomen beëindigingsvergoeding die in de polisadministratie niet als ‘sv-loon’ was aangemerkt, niet aanmerkte als loon voor toepassing van de WW. Dit leidde er toe dat de werknemer niet aan de wekeneis van art. 17 lid 1 WW voldeed.
Zie beroepschrift, randnr. 83. Zie ook pleitnota Antonius in hoger beroep, p. 6, korter: ‘Er zijn ook andere functies die mevrouw Werknemer kan uitoefenen’.
Zij heeft wel gewezen op de enorme inkomensval die het verlies van haar baan met zich meebrengt en dat de door Antonius genoemde functie van biomedisch wetenschapper een salarisval geeft van tenminste € 80.000,- bruto per jaar. Daardoor zou ze echter uitkomen op een salaris van iets boven het in rov. 3.39 genoemde maximum dagloon. Zie rov. 3.39; aantekeningen voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg Werknemer, randnr. 23-24; verweerschrift in hoger beroep, randr. 51-53; pleitnota Werknemer in hoger beroep, p. 4-5.
Beroepschrift 30‑12‑2024
PROCESINLEIDING IN CASSATIE
(VERZOEKPROCEDURE)
1. Verzoekende partij
1.
Verzoekster tot cassatie is:
[de werkneemster] (‘[de werkneemster]’),
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
[adres],
[postcode] [woonplaats], gemeente [gemeente],
2.
[de werkneemster] kiest in deze zaak woonplaats aan het Burgerweeshuispad 201, 1076 GR Amsterdam, op het kantoor van mr. S.F. Sagel (De Brauw Blackstone Westbroek N.V.). [de werkneemster] stelt in deze zaak mr. S.F. Sagel tot advocaat bij de Hoge Raad.
2. Verwerende partij
3.
Verweerster in cassatie is:
De stichting
STICHTING ANTONIUS ZORGGROEP (‘Antonius’),
statutair gevestigd in de gemeente Súdwest Fryslân,
en kantoorhoudende aan de Bolswarderbaan 1,
8601 ZK SNEEK.
4.
Antonius is in de vorige instantie vertegenwoordigd door de advocaat mr. R.U. Klaver (Hanze advocaat), die kantoor houdt aan de Eekwal 12, 8011 LD Zwolle.
3. Bestreden uitspraak
5.
[de werkneemster] komt in cassatieberoep van de beschikking die het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden (‘Hof’) op 18 november 2024 heeft gegeven onder zaaknummer 200.344.582/01 (‘Beschikking’) tussen [de werkneemster] als verweerster in principaal hoger beroep, tevens verzoekster in incidenteel hoger beroep en Antonius als verzoekster in principaal hoger beroep, tevens verweerster in incidenteel hoger beroep.
4. Bevoegde rechter
6.
Dit cassatieberoep zal worden behandeld door de Hoge Raad der Nederlanden, Korte Voorhout 8, 2511 EK Den Haag.
5. Middel van cassatie
7.
[de werkneemster] voert tegen de hiervoor vermelde Beschikking het volgende middel van cassatie aan:
schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het Hof recht heeft gedaan op de wijze als in het dictum van die beschikking is omschreven en op de gronden die in het lichaam van die beschikking zijn vermeld, dit om de volgende, zo nodig in onderlinge samenhang te beoordelen redenen.
Inleiding; feiten en procesverloop
8.
De onderhavige zaak is de tweede ontbindingsprocedure ex art. 7:671b jo. art. 7:669 lid 3 sub g BW die tussen partijen wordt gevoerd. Reeds in 2022 heeft Antonius getracht op die grond — een verstoorde arbeidsverhouding — ontbinding na te streven van de arbeidsovereenkomst van [de werkneemster], die sinds 2018 als klinisch chemicus bij haar in dienst was en die zich op 4 februari 2021 na een black out op het werk, ziek had gemeld. De kantonrechter wees dat verzoek bij beschikking van 8 juni 2022 af. Ontbinding was wat de kantonrechter betreft toen niet aan de orde, omdat [de werkneemster] ernstig ziek was — zij leed aan een zware depressie — zodat het opzegverbod van art. 7:670 lid 1 BW aan beëindiging in de weg stond. Antonius heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld, maar het Hof bekrachtigde de uitspraak van de kantonrechter bij beschikking van 23 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10136. Ook volgens het Hof stond het opzegverbod tijdens ziekte aan ontbinding in de weg, nu aannemelijk was dat de depressieve klachten van [de werkneemster] een bijdrage hadden geleverd aan de problemen in de samenwerking op grond waarvan Antonius zei ontbinding na te streven. Gelet op dat causale verband kon terzijde stelling van het opzegverbod niet aan de orde zijn. [de werkneemster] moest de gelegenheid krijgen verder te werken aan haar herstel.
‘De beschikkingen die in de eerste ontbindingsprocedure tussen partijen zijn gewezen, heeft Antonius in de onderhavige procedure als bijlagen 23 en 26 bij inleidend verzoekschrift in het geding gebracht.’
9.
Begin 2024 heeft Antonius de onderhavige, tweede ontbindingsprocedure geëntameerd. De kantonrechter heeft dit maal beslist dat ontbinding is aangewezen omdat de arbeidsverhouding tussen partijen inderdaad duurzaam is verstoord, maar dat Antonius daarvan een ernstig verwijt treft. Antonius heeft zich, kort gezegd, ernstig verwijtbaar gedragen door structureel niet te voldoen aan haar verplichting om [de werkneemster] in haar eigen werk te laten re-integreren en door onvoldoende inspanningen te verrichten om de verhoudingen te normaliseren en het arbeidsconflict op te lossen. De opstelling van Antonius was van dien aard dat, onder meer, de bedrijfsarts zijn opdracht heeft teruggegeven, omdat zijn adviezen in de wind werden geslagen en het UWV Antonius de maximale loonsanctie van een jaar heeft opgelegd wegens het verzaken van de re-integratie. Het UWV heeft in zijn Beoordeling Re-integratieverslag dat heeft geleid tot de loonsanctie — zie bijlage 9 bij het inleidend verzoekschrift in prima zijdens Antonius — zelfs opgemerkt dat Antonius ‘niets’ heeft gedaan aan re-integratie, een uitzonderlijk negatief oordeel.
10.
De kantonrechter heeft aan [de werkneemster] daarom een billijke vergoeding toegekend ter hoogte van drie jaarsalarissen, er daarbij van uitgaande dat wanneer Antonius het ernstig verwijtbare gedrag achterwege had gelaten — en zij [de werkneemster] wel fatsoenlijk had laten re-integreren zoals zij had behoren te doen — het dienstverband tussen partijen nog geruime tijd had voortgeduurd. Daarbij heeft de kantonrechter ook in aanmerking genomen dat [de werkneemster] voor haar baan bij Antonius speciaal van Brabant naar Friesland is verhuisd. De kantonrechter zag geen aanleiding om de transitievergoeding in mindering te brengen op de billijke vergoeding, nu de transitievergoeding maar drie maanden bedraagt, terwijl de gevolgen van het ontslag voor [de werkneemster], de kostwinner in een gezin met jonge schoolgaande kinderen, groot zijn. De WW-aanspraken van [de werkneemster] heeft de kantonrechter evenmin in mindering gebracht op de vergoeding. Antonius had zich in prima ook helemaal niet op het standpunt gesteld dat dat diende te gebeuren. De billijke vergoeding is door de kantonrechter, een en ander in aanmerking nemend, begroot op een bedrag van EUR 443.916,- bruto.
11.
Antonius heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter. In zijn thans in cassatie bestreden Beschikking heeft ook het Hof geoordeeld dat Antonius ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, door — in strijd met adviezen van de bedrijfsarts en ondanks een door het UWV opgelegde loonsanctie — volstrekt onvoldoende te doen aan de re-integratie van [de werkneemster], door niet aan te sturen op een oplossing van het conflict en door uiteindelijk zelfs het loon van [de werkneemster] zonder valide grond in te houden. Het Hof heeft het oordeel van de kantonrechter (als door het Hof samengevat in rov. 3.25) tot het zijne gemaakt en daaraan in rov. 3.26 nog toegevoegd dat de onderhavige zaak eigenlijk een schoolvoorbeeld is van één van de gevallen die in de wetsgeschiedenis van de Wet werk en zekerheid (‘Wwz’) uitdrukkelijk zijn benoemd als ernstig verwijtbaar werkgeversgedrag dat aanleiding geeft tot toekenning van een billijke vergoeding, te weten ‘de situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte grovelijk heeft veronachtzaamd.’
Zie Kamerstukken II, 2013–2014, 33 818, nr. 3, p. 34.
12.
In de rov.'en 3.33 tot en met 3.41 is het Hof vervolgens ingegaan op de begroting van de billijke vergoeding. Na een aantal inleidende beschouwingen — waarin het Hof het te hanteren toetsingskader heeft geformuleerd (rov. 3.34) en de overwegingen van de kantonrechter op dit punt heeft samengevat (rov. 3.35) —, heeft het Hof in rov. 3.36 als volgt overwogen en beslist:
‘3.36
Antonius voert in hoger beroep terecht aan dat de kantonrechter bij bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding van een te hoog salaris is uitgegaan. Ook wijst Antonius er terecht op dat geen rekening is gehouden met het recht op een WW-uitkering gedurende 24 maanden.’
(onderstreping toegevoegd, SFS)
13.
Vervolgens heeft ook het Hof, in navolging van de kantonrechter, ter bepaling van de omvang van de billijke vergoeding, onderzocht hoe lang het dienstverband nog zou hebben voortgeduurd, wanneer het ernstig verwijtbare handelen van Antonius achterwege zou zijn gebleven. Anders dan de kantonrechter, die is uitgegaan van drie jaren aan gemist loon, vond het Hof het evenwel redelijk om, de goede en kwade kansen afwegend, tot uitgangspunt te nemen dat het dienstverband na 1 augustus 2024 — de ontbindingsdatum — nog twee jaar zou hebben voortgeduurd. Uitgaande van het toen geldende maandloon met emolumenten van EUR 11.367,35 bruto komt dat, volgens het Hof, neer op bijna EUR 273.000,- bruto gemist loon door het ernstig verwijtbare gedrag van Antonius. Die beslissing van het Hof, waartoe hij in rov. 3.39 is gekomen, wordt in cassatie, vanwege het feitelijke karakter daarvan, als zodanig niet bestreden. Vervolgens heeft het Hof evenwel in rov. 3.39 overwogen en beslist als volgt:
‘Het hof acht het redelijk daarvan af te trekken wat [de werkneemster] in die periode aan WW-uitkering zou kunnen ontvangen. Gelet op het maximum dagloon is dat ongeveer € 4.305,- bruto per maand. Het hof gaat er in een alternatief scenario van uit dat [de werkneemster] in de komende tijd een andere baan zal kunnen krijgen waarmee zij tenminste een bruto maandloon ter hoogte van de maximale WW kan verdienen. Dat leidt tot een aftrek van ruim € 103.000,- bruto over de twee jaar. Daarmee komt het geschatte inkomensverlies over twee jaar uit op € 170.000,- bruto.’
(onderstreping toegevoegd, SFS)
In rov. 3.41 heeft het Hof, daarop voortbouwend, beslist dat hij de billijke vergoeding op het in rov. 3.39 genoemde bedrag aan inkomensverlies van EUR 170.000,- bruto zal vaststellen.
Onderdeel 1
14.
Het Hof heeft, anders dan de vaststelling in rov. 3.39 dat hij dat ‘redelijk’ acht en de daaraan voorafgaande vaststelling in rov. 3.36 dat Antonius er ‘terecht op wijst’ dat de kantonrechter geen rekening heeft gehouden met de WW-uitkering, geen motivering gegeven voor zijn beslissing dat de WW-uitkering waarop [de werkneemster] (mogelijk) aanspraak kon maken in de hypothetische periode van twee jaar dat het dienstverband bij gebreke van het ernstig verwijtbare handelen van Antonius nog langer zou hebben voortgeduurd, in mindering moet worden gebracht op de billijke vergoeding.
Primair en subsidiair: rechtsklachten
15.
Indien die beslissing van het Hof in de rov.'en 3.36, 3.39 en 3.41 aldus moet worden verstaan dat het Hof is uitgegaan van de regel dat het, wanneer de billijke vergoeding ex art. 7:671b lid 9 sub c BW — zoals in dit geval — wordt begroot op basis van het loon dat de werknemer nog zou hebben verdiend gedurende de periode dat het dienstverband na de ontbindingsdatum nog zou hebben voortgeduurd bij gebreke van het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever dat tot de beëindiging heeft geleid, per definitie, dat wil zeggen: ongeacht de omstandigheden van het geval, steeds redelijk is om de WW-uitkering over die periode (bij wege van automatisme) in mindering te brengen op de billijke vergoeding — een uitleg van de Beschikking die in de rede ligt nu het Hof in het geheel niet heeft onderbouwd waarom zo'n aftrek in de specifieke omstandigheden van dit geval redelijk is —, is zijn beslissing rechtens onjuist.
Datzelfde geldt wanneer de voornoemde beslissing in de rov.'en 3.36, 3.39 en 3.41 zo moet worden begrepen dat wanneer de billijke vergoeding ex art. 7:671b lid 9 sub c BW wordt begroot op basis van het loon dat de werknemer nog zou hebben verdiend gedurende de periode dat het dienstverband na de ontbindingsdatum nog zou hebben voortgeduurd bij gebreke van het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever dat tot de beëindiging heeft geleid, het in beginsel redelijk is om de WW-uitkering over die periode (bij wege van automatisme) in mindering te brengen op de billijke vergoeding. Ook het hanteren van die vuistregel getuigt namelijk van een onjuiste rechtsopvatting.
16.
Moet worden uitgegaan van één van de twee onder 15. verdedigde lezingen van de uitspraak van het Hof, dan heeft het Hof
- —
primair miskend dat wanneer de billijke vergoeding van art. 7:671b lid 9 sub c BW wordt begroot op basis van het loon dat de werknemer zou hebben verdiend gedurende de periode dat het dienstverband, gerekend vanaf de ontbindingsdatum, nog zou hebben voortgeduurd bij gebreke van het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever dat tot de beëindiging heeft geleid, het in beginsel (dat wil zeggen: behoudens bijzondere omstandigheden) juist niet is aangewezen om op dat bedrag aan billijke vergoeding de WW-uitkering in mindering te brengen waarop de werknemer gedurende die periode (mogelijk) aanspraak kan maken;
althans heeft het Hof dan
- —
subsidiair miskend dat wanneer de billijke vergoeding van art. 7:671b lid 9 sub c BW wordt begroot op basis van het loon dat de werknemer nog zou hebben verdiend gedurende de periode dat het dienstverband, gerekend vanaf de ontbindingsdatum, nog zou hebben voortgeduurd bij gebreke van het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever dat tot de beëindiging heeft geleid, het steeds afhankelijk is van de omstandigheden van het geval of de billijkheid vereist dat daarop de WW-uitkering in mindering wordt gebracht waarop de werknemer gedurende die periode (mogelijk) aanspraak kan maken (zonder dat daarbij — bij wege van vuistregel — tot uitgangspunt moet worden genomen dat het dan in beginsel in de rede ligt om de WW-uitkering in mindering te brengen op de billijke vergoeding).
Meer subsidiair: motiveringsklacht
17.
Indien het Hof niet op de hiervoor onder 16. weergegeven gronden is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en zijn hiervoor onder 12. en 13. geciteerde beslissingen in de rov.'en 3.36 en 3.39 aldus moeten worden begrepen dat het Hof niet heeft miskend dat wanneer de billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 9 sub c BW wordt begroot op basis van het loon dat de werknemer nog zou hebben verdiend gedurende de periode dat het dienstverband, gerekend vanaf de ontbindingsdatum, nog zou hebben voortgeduurd bij gebreke van het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever dat tot de beëindiging heeft geleid, het afhankelijk is van de omstandigheden van het geval of de billijkheid vereist dat daarop de WW-uitkering in mindering wordt gebracht waarop de werknemer gedurende die periode (mogelijk) aanspraak kan maken, dan is zijn (impliciete) beslissing dat die aftrek in de omstandigheden van dit geval redelijk is, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Enige inhoudelijke motivering waarom die aftrek in de omstandigheden van dit geval redelijk is, ontbreekt namelijk geheel. Dat klemt temeer nu, nadat Antonius bij beroepschrift (zie randnr. 83, eerste twee volzinnen) het — niet onderbouwde en dus ongemotiveerde — standpunt had ingenomen dat de WW-aanspraken van [de werkneemster] op de billijke vergoeding in mindering gebracht moesten worden, zijdens [de werkneemster] wel gemotiveerd en onder verwijzing naar relevante literatuur is bepleit waarom die aftrek (in dit geval) juist niet redelijk is. [de werkneemster] heeft in dat verband bij verweerschrift in hoger beroep onder 56 doen stellen:
‘De WW-uitkering speelt geen rol, omdat [de werkneemster] ook recht zou hebben gehad op die uitkering als de arbeidsovereenkomst op een later moment zou zijn geëindigd. Zij is door de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst gedwongen die aanspraak nu al op te souperen (zie in gelijke zin ook W.J.J. Wetzels en P.G. Vestering, SDU Commentaar Burgerlijk Wetboek Thematisch Boek 7: 681 BW sub 5, 7e alinea).’
Het betreft hier een alleszins relevante stelling, waarop het Hof dus had behoren te responderen, zeker nu hij in het verweer van Antonius vervolgens aanleiding heeft gezien om op de billijke vergoeding een zeer aanzienlijk bedrag in mindering te brengen van ruim EUR 100.000,- bruto.
Toelichting op het cassatiemiddel
- (i)
In de ‘landmark’ New Hairstyle-beschikking van de Hoge Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1187), zijn de lijnen uitgezet voor de begroting van de billijke vergoedingen die het per 1 juli 2015 ingevoerde ontslagrecht van de Wwz heeft geïntroduceerd. De New-Hairstyle zaak zag weliswaar op de begroting van de billijke vergoeding ex art. 7:681 BW, maar de begrotingsmaatstaven die in die uitspraak zijn geformuleerd, zijn in latere rechtspraak van overeenkomstige toepassing verklaard op de begroting van andere billijke vergoedingen die de Wwz introduceerde, waaronder ook de billijke vergoeding die in de ontbindingsprocedure ex art. 7:671b BW kan worden toegekend (zie HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218). Uit de New Hairstyle-beschikking volgt dat de rechter bij de begroting van de billijke vergoeding ook rekening kan houden met eventuele inkomsten die de werknemer inmiddels uit ander werk verkrijgt, alsmede met (andere) inkomsten die hij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven. In de woorden van de Hoge Raad:
‘3.4.5
Het hangt af van de omstandigheden van het geval of en in hoeverre bij de vaststelling van de billijke vergoeding van art. 7:681 lid 1, aanhef en onder a, BW rekening wordt gehouden met het inkomen dat de werknemer zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd. Tot die omstandigheden behoort onder meer de mate waarin de werkgever van de grond voor de vernietigbaarheid van de opzegging een verwijt valt te maken. Voorts kan daartoe behoren — voor zover het om in de toekomst te derven loon gaat — of de redenen die de werknemer heeft om af te zien van vernietiging van de opzegging aan de werkgever zijn toe te rekenen.
Bij de vaststelling van de billijke vergoeding kan ook ermee rekening worden gehouden of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden, en met de inkomsten die hij daaruit dan geniet (vgl. Kamerstukken II 2013–2014, 33 818, nr. 7, p. 90), en met de (andere) inkomsten die hij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven.’
(onderstreping toegevoegd, SFS)
- (ii)
Reeds uit deze formulering volgt, dat ook het op de billijke vergoeding in mindering brengen van ‘(andere) inkomsten’, die de werknemer in redelijkheid in de toekomst kan verwerven, nimmer een automatisme of regel mag zijn. Het rekening houden met (en onder omstandigheden in mindering brengen van) zulke andere inkomsten, kan, onder omstandigheden, in de rede liggen, maar is zeker geen verplichting, automatisme of (vuist)regel. Dat betekent dat het dus ook niet steeds, of in de regel / in beginsel, redelijk is om andere toekomstige inkomsten in de vorm van WW-aanspraken, in mindering te brengen op de billijke vergoeding. En dat geldt, blijkens het hiervoor weergegeven citaat uit de New Hairstyle-beschikking, ook (of wellicht zelfs wel: juist) wanneer de rechter als uitgangspunt voor de begroting van de billijke vergoeding de loonwaarde neemt die het dienstverband na de einddatum nog voor de werknemer zou hebben gehad wanneer het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever dat tot de beëindiging heeft geleid, wordt weggedacht. Moet worden uitgegaan van één van de twee alternatieve lezingen van de beslissing van het Hof die hiervoor onder 15. zijn verdedigd — te weten: de lezing (i) dat het Hof ervan is uitgegaan dat bij de berekening van een billijke vergoeding gebaseerd op de loonwaarde die de arbeidsovereenkomst bij gebreke van het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever dat tot beëindiging heeft geleid, na de ontbindingsdatum nog zou hebben gehad, bij wijze van regel de WW-aanspraken van de werknemer over dat tijdvak steeds in mindering moeten worden gebracht omdat dat redelijk is, dan wel de lezing (ii) dat het Hof is uitgegaan van de vuistregel dat zo'n aftrek in elk geval in beginsel moet worden toegepast omdat dat redelijk is —, dan is met het voorgaande reeds gegeven waarom die beslissing onjuist is.
- (iii)
In de literatuur is er — door verschillende gezaghebbende auteurs — op gewezen dat het juist niet, althans zeker niet steeds (bij wege van regel of automatisme) of in beginsel, in de rede ligt om wanneer de billijke vergoeding wordt gebaseerd op de te verwachten (loon)waarde die het dienstverband na de einddatum nog voor de werknemer zou hebben gehad wanneer het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever dat heeft geleid tot de aanspraak op een billijke vergoeding wordt weggedacht, de (mogelijke) WW-rechten van de werknemer in dat tijdvak (geheel) op die vergoeding in mindering te brengen. Het belangrijkste argument dat daarvoor wordt opgevoerd, is dat er weinig billijks aan is om in een geval waarin de werkgever een arbeidsovereenkomst ernstig verwijtbaar tot een einde heeft laten komen, ten gunste van de werkgever met de door de werknemer opgebouwde WW-aanspraken rekening te houden door ervan uit te gaan dat de werknemer die aanspraken na het ernstig verwijtbare ontslag maar moet aanspreken en opsouperen in het tijdvak waarin hij dat zonder het ernstig verwijtbare gedrag nog niet had behoeven te doen, omdat hij bij gebreke van dat gedrag van de werkgever nog gewoon in dienst was geweest en jegens de werkgever aanspraak had gehad op loon. Zo bezien is het in mindering brengen van de WW-aanspraken van de werknemer gedurende dat tijdvak op de billijke vergoeding in feite niets anders dan een beloning voor ernstige vormen van slecht werkgeverschap.
- (iv)
Anders gezegd: door de aanspraken op WW-uitkering over het hypothetische tijdvak waarin het dienstverband zonder ernstig verwijtbaar gedrag nog had voortgeduurd, bij de becijfering van de billijke vergoeding af te trekken van de loonwaarde die dat tijdvak voor de werknemer zou hebben gehad, wordt een deel van de schade die de werkgever met zijn ernstig verwijtbare gedrag heeft veroorzaakt, ten laste gebracht van de sociale zekerheidsfondsen en de werknemer zelf. Die moet immers zijn opgebouwde WW-aanspraken aanwenden om de schadelijke gevolgen van (de premature beëindiging van zijn dienstverband door) het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever te beperken en ziet zijn WW-aanspraken daardoor verdampen. Dat is een onbillijke uitkomst, die in beginsel juist niet in de rede ligt. Slecht werkgeverschap verdient geen beloning, en ernstige vormen daarvan al helemaal niet.
- (v)
Bijzonder kritisch heeft in het bijzonder Verhulp zich uitgelaten over het bij wijze van (vuist)regel of automatisme aftrekken van WW-aanspraken van de werknemer van de billijke vergoeding. In zijn annotatie onder JAR 2022/263 verwoordt hij het aldus:
‘Ook in deze uitspraak wordt de aan de werknemer toekomende uitkering krachtens de WW in mindering gebracht op de billijke vergoeding. Het automatisme waarmee dat gebeurt, acht ik onjuist. Als deze werknemer over drie jaar wel zou zijn ontslagen zonder verwijtbaar handelen van de werkgever zou ze recht hebben op een uitkering krachtens de WW. Dat laatste recht is nu door het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever geheel door haar benut en in mindering gebracht op de billijke vergoeding, zodat ze haar uitkering zelf betaalt, of anders gezegd: het recht op een uitkering verdampt is. De Hoge Raad heeft niets anders overwogen dan dat ermee rekening ‘kan’ worden gehouden ‘of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden, en met de inkomsten die hij daaruit dan geniet, en met (andere) inkomsten die hij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven.’ (HR 30 juni 2017, ‘JAR’ 2017/188, r.o. 3.4.5). Dat op grond van deze overweging een uitkering krachtens de WW geheel in mindering zou strekken op de billijke vergoeding, is juist vanwege het ‘verdampingseffect’ voor mij niet evident, integendeel. Dat geen sprake behoort te zijn van een automatische aftrek geldt m.i. evenzeer voor de transitievergoeding. Het hof betrekt in deze beschikking bij dit oordeel de aan de werknemer toekomende transitievergoeding, en dat is precies wat volgens de Hoge Raad behoort. Dat is dus iets anders dan ‘aftrekken’ van de billijke vergoeding.
Het hof Amsterdam 21 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:29, overwoog dat ook een contractueel overeengekomen ontslagvergoeding niet in mindering strekt op de billijke vergoeding ‘omdat [appellante] deze vergoeding ook zou hebben ontvangen indien de arbeidsovereenkomst onder andere omstandigheden zou zijn geëindigd en het niet aangaat [appellante] in een slechtere (financiële) positie te laten komen dan wanneer de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd zonder dat sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van de zijde van (de werkgever)’. Waarom dat voor de transitievergoeding of een uitkering krachtens de WW anders zou zijn, zie ik niet in.’
(onderstreping toegevoegd, SFS)
- (vi)
In de meest recente editie van T&C Arbeidsrecht heeft Verhulp het zo mogelijk nog pregnanter verwoord:
‘Vaak wordt de transitievergoeding waarop de werknemer recht heeft betrokken bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding en leidt dat tot een verlaging van de billijke vergoeding (zie bijv. Rb. Limburg 17 juli 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:6879 en Gerechtshof 's‑Hertogenbosch 19 december 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4627), maar (zie de noot bij Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21 juli 2022, JAR 2022/263) dat zou zeer terughoudend moeten gebeuren. Dat geldt des te meer voor de uitkering krachtens de WW. Dit zijn immers bedragen waarop de werknemer ook zonder het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever recht heeft, zodat die niet in mindering op de billijke vergoeding wegens het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever dienen te strekken. In deze zin: Gerechtshof Den Haag 26 maart 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:371.’
Zie E. Verhulp, T&C Arbeidsrecht (13e druk, 2024), commentaar op afd. 9 Boek 7 BW, Inleidende opmerkingen, aantekening 4, onderstreping toegevoegd, SFS.
- (vii)
De opvatting van Verhulp mag, gelet op de hiervoor onder (v) en (vi) onderstreept weergegeven passages, aldus worden samengevat dat hij zit op de lijn dat aftrek van WW-aanspraken bij de berekening van de billijke vergoeding in beginsel niet aan de orde behoort te zijn. Zijn opvatting steunt dus één op één de hiervoor onder 16. primair als rechtens juist bepleite lijn, waarmee de uitspraak van het Hof in strijd is.
- (viii)
Steun voor de lijn van Verhulp valt te vinden bij Wetzels en Vestering:
‘Uit de lagere rechtspraak na de New Hairstyle zaak blijkt dat zowel de kantonrechters als de Hoven bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding zo goed mogelijk ‘de waarde van de arbeidsovereenkomst’ in kaart proberen te brengen en afwegen of de arbeidsovereenkomst nog langere tijd zou hebben voortgeduurd als de werknemer niet voor de billijke vergoeding, maar voor de vernietiging van de opzegging zou hebben geopteerd. Tevens blijkt uit die lagere rechtspraak dat met alle omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden en dat bij de berekening van de hoogte van de billijke vergoeding tevens in ogenschouw wordt genomen of aan de werknemer een transitievergoeding toekomt en een vergoeding wegens de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst. Omdat de billijke vergoeding van art. 7:681 lid 1 onderdeel a BW geldt als alternatief voor de situatie dat opzegging van de arbeidsovereenkomst vernietigd zou worden, is de financiële tegenwaarde van die vernietiging relevant. Voor een werknemer die na twee jaar (doorbetaling bij) ziekte zonder toestemming van UWV opgezegd werd, gold dat vernietiging van die opzegging niet meer tot een loonaanspraak zou hebben geleid; daarom werd geen billijke vergoeding toegekend.
Overigens is het nog maar de vraag of het in alle gevallen redelijk is om de transitievergoeding en de WW-uitkering, waarop de werknemer na ontslag vermoedelijk recht heeft af te trekken van de inkomensschade die de werknemer lijdt. Bij de gevalsvergelijking dat de arbeidsovereenkomst op enig moment eindigt zou de werknemer vermoedelijk ook recht hebben gehad op de transitievergoeding en de WW-uitkering. In zijn annotatie bij de uitspraak van Hof 's‑Hertogenbosch van 21 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:202:2496, ‘JAR’ 2022/263 doet Verhulp een beroep op de gemachtigden van partijen om zo concreet mogelijk in de procedure te onderbouwen waarom wel c.q. geen aanleiding bestaat voor verrekening, afhankelijk van de vraag voor welke partij de gemachtigde optreedt. Tevens verwijzen wij in dit verband nog naar de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11627, ‘JAR’ 2022/31, waarin geoordeeld is dat geen aanleiding bestond om bij de berekening van de inkomensschade rekening te houden met de transitievergoeding, omdat aannemelijk was dat de arbeidsovereenkomst korte tijd later zou eindigen in verband met het feit dat de werknemer dan twee jaar onafgebroken arbeidsongeschikt was en hij dan ook recht zou hebben op de transitievergoeding.
Ook het Hof Den Haag vond het niet juist om de transitievergoeding (of de WW-uitkering) te betrekken bij de bepaling van de billijke vergoeding, het Hof Amsterdam deed dit in een andere zaak juist weer (deels) wel.’
W.J.J. Wetzels en P.G. Vestering, Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, Art. 7:681 BW, aant. 5, cursivering toegevoegd, SFS.
Het is overigens de in het bovenstaande citaat cursief weergegeven alinea, waarop [de werkneemster] zich in haar verweerschrift in hoger beroep uitdrukkelijk heeft beroepen, ten verwere tegen de door Antonius bij beroepschrift geponeerde — maar niet onderbouwde — stelling dat de WW-uitkering die [de werkneemster] na de beëindiging van haar dienstverband zou ontvangen, in mindering zou moeten worden gebracht op de haar toe te kennen billijke vergoeding.
- (ix)
Kritisch over het automatisch in mindering brengen van WW-aanspraken op de billijke vergoeding, zijn ook Boot en Eibers in een bijdrage uit 2021, waarin zij de berekening van billijke vergoedingen door de hoven analyseren, zij het dat zij het probleem vooral zien in gevallen waarin het aannemelijk is dat een werknemer langer werkloos zal zijn dan de periode dat hij recht heeft op een WW-uitkering:
‘Wanneer bekend is dat een WW- of ZW-uitkering is toegekend gedurende die resterende duur, wordt die vaak ook geheel of gedeeltelijk in mindering gebracht. Voor de directe inkomensschade gedurende de periode van de resterende duur is dat laatste begrijpelijk; wel is het zo dat daarmee een deel of het geheel van de WW rechten is/zijn opgesoupeerd, terwijl in de situatie van ontslag op een later moment die WW-rechten pas op dat moment aangesproken hoefden te worden. Het geheel in mindering brengen van WW-uitkeringen is dan niet logisch in situaties waarbij te verwachten valt dat de werknemer langer werkloos zal zijn dan de periode dat hij recht heeft op een WW-uitkering.’
G.C. Boot en M.C. Eibers, Toepassing van de New Hairstyle-criteria door de gerechtshoven, ArbeidsRecht 2021/28.
- (x)
Aan de in de literatuur, in het bijzonder door Verhulp, ontwikkelde argumenten voor de stelling dat WW-aanspraken in beginsel niet in mindering behoren te worden gebracht op de billijke vergoeding (zeker als die vergoeding wordt berekend op basis van de loonwaarde die het dienstverband bij gebreke van het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever na de einddatum nog zou hebben gehad voor de werknemer), valt wellicht nog een aan het leerstuk van de schadebeperkingsplicht uit boek 6 BW ontleend argument toe te voegen. Of misschien nog beter gezegd: de argumenten van Verhulp kunnen ook in de sleutel van dat leerstuk geplaatst worden.
- (xi)
In de hiervoor genoemde New Hairstyle-beschikking overwoog de Hoge Raad (in rov. 3.4.5) dat voor zover elementen van de vaststelling van de billijke vergoeding zien op de vergoeding van schade van de werknemer, de wettelijke regels van art. 6:95 e.v. BW zich voor overeenkomstige toepassing lenen. Daaronder valt dus ook de schadebeperkingsplicht die besloten ligt in art. 6:101 BW.
- (xii)
Die verplichting tot schadebeperking is er slechts voor zover de benadeelde partij redelijkerwijs tot schadebeperkings-maatregelen gehouden is (zie Asser/Sieburgh 6-II 2021/125 en 126). De grenzen van de verplichting van de schuldeiser tot beperking van de schade worden dus door de redelijkheid bepaald. Uit de rechtspraak volgt dat wanneer de schuldenaar de schade kan beperken door alsnog zijn verbintenis na te komen, in redelijkheid niet van de schuldeiser mag worden verlangd, dat hij maatregelen ter beperking van de schade treft die voor hem min of meer bezwarend zijn. Sieburgh verwijst in dit verband voor wat betreft oudere rechtspraak naar HR 30 april 1926, NJ 1926/835; HR 13 januari 1928, NJ 1928/324 en HR 24 april 1931, NJ 1931/1321 en wat betreft meer recente rechtspraak naar HR 29 mei 1998, NJ 1998/641 en HR 11 juni 2010, NJ 2010/333. Ook vanuit dat perspectief ligt het (in elk geval: in beginsel) niet in de rede om de WW-uitkering over het hypothetische tijdvak waarin het dienstverband zonder ernstig verwijtbaar gedrag nog had voortgeduurd na de ontbindingsdatum, bij de becijfering van de billijke vergoeding af te trekken van de loonwaarde die dat tijdvak voor de werknemer zou hebben gehad. Dat is immers een aanpak die ertoe leidt, althans erop neerkomt, dat van de werknemer wordt verwacht dat hij de schade bestaande in premature beëindiging van het dienstverband ten gevolge van ernstig verwijtbaar werkgeversgedrag, zelf beperkt door na die ernstig verwijtbare beëindiging een WW-uitkering aan te vragen en op die uitkering aanspraak te maken over de periode die het dienstverband bij gebreke van dat ernstig verwijtbare gedrag nog zou hebben voortgeduurd. Waarbij die WW-uitkeringen vervolgens ten gunste van de werkgever in mindering worden gebracht op de aanspraak op billijke vergoeding. Die vorm van schadebeperking door de werknemer via de WW, is ontegenzeggelijk een voor de werknemer bezwarende maatregel. Hij ziet daardoor immers WW-aanspraken verdampen die hij anders wellicht (pas) later had moeten, of willen, aanwenden om in zijn levensonderhoud te voorzien. Bijvoorbeeld na een ontslag uit een volgend dienstverband. Of na een periode van werkloosheid die langer duurt dan de periode dat het dienstverband zonder het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever zou hebben voortgeduurd, voor welke periode de billijke vergoeding nu juist een financiële compensatie beoogt te bieden. En dat alles terwijl de werkgever, wanneer de WW-aanspraken van de werknemer niet in mindering worden gebracht op de billijke vergoeding, slechts in een positie wordt gebracht waarin hij (bij wege van billijke vergoeding) al dat moet nakomen en betalen, wat hij had moeten nakomen en betalen als hij zich niet een zodanig slecht werkgever had betoond dat het dienstverband daardoor prematuur was geëindigd. Men kan het ook zo zeggen: door de WW-aanspraken niet in mindering te brengen op een billijke vergoeding die wordt gebaseerd op het loon dat nog verschuldigd zou zijn geweest als het dienstverband niet door ernstig verwijtbaar werkgeversgedrag prematuur zou zijn geëindigd, wordt (in elk geval: in uitkomst), gerealiseerd dat de schuldenaar — hier de werkgever — zelf de toegebrachte schade beperkt door alsnog, zij het verpakt in de vorm van een billijke vergoeding, zijn verbintenis tot loonbetaling na te komen tot het moment waarop hij dat als zorgvuldig handelend werkgever had moeten doen.
- (xiii)
Daarmee wordt gekomen tot een bespreking van de rechtspraak. Zoals ook Verhulp memoreert (zie het citaat onder (vi)), is het door het Hof ook in deze zaak gehanteerde automatische aftrekken van WW-aanspraken van de omvang van de billijke vergoeding, zeker geen automatisme in de appelrechtspraak. Hoewel er meer uitspraken zijn in de lijn waarvoor het Hof in deze zaak — ten onrechte — heeft gekozen (zie bijvoorbeeld Gerechtshof 's‑Hertogenbosch 18 februari 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:486; Gerechtshof 's‑Hertogenbosch 19 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1594; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 augustus 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8305 en Gerechtshof Amsterdam 25 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1475), zijn er ook verschillende uitspraken waarin juist is geopteerd voor het afwijzen van een werkgeversverzoek om WW-aanspraken op de omvang van de billijke vergoeding in mindering te brengen, althans waarin zulke verzoeken maar in zeer beperkte mate worden gehonoreerd.
‘Terzijde: juist vanwege de verdeeldheid in de (appèl)rechtspraak op dit punt, zou het bijzonder waardevol zijn, wanneer Uw Raad daarover in deze zaak richting kan geven. Niet alleen ter beëindiging van die verschillende, tegengestelde benaderingen die men nu op dit punt tegenkomt in de rechtspraak, die vanzelfsprekend onwenselijk zijn vanuit het oogpunt van rechtseenheid en rechtszekerheid, maar ook omdat zulke duidelijkheid behulpzaam is voor de arbeidsrechtelijke ‘schikkingspraktijk’ waarin regelmatig wordt onderhandeld over de hoogte van billijke vergoedingen.’
- (xiv)
Men ziet in de onder (xiii) als tweede genoemde lijn in de rechtspraak verschillende van de hiervoor genoemde argumenten terug die ervoor spreken dat (mogelijke) WW-aanspraken in beginsel juist niet op de billijke vergoeding in mindering moeten worden gebracht (en dat zo'n aftrek in elk geval niet bij wijze van regel of automatisme en evenmin in beginsel wel redelijk is).
- (xv)
Allereerst valt te wijzen op een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) van 29 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1531 waarin de werkneemster nota bene zelf bij de berekening van de door haar gevraagde billijke vergoeding de WW-uitkering (ten nadele van haar zelf) in mindering had gebracht. Het hof kon de werkneemster daarin slechts volgen, maar wees er daarbij wel op dat hij van mening was dat de werkneemster zichzelf met die benadering eigenlijk tekort (!) had gedaan. Aftrek van de WW-aanspraken is geen automatisme en een regel van die strekking volgt ook niet uit de cassatierechtspraak, aldus het hof:
‘3.37
[geïntimeerde] heeft is in de berekening van de door haar verzochte billijke vergoeding uitgegaan van een looncomponent van bijna € 33.000 bij twee jaar werkloosheid. Daarbij heeft zij de haar toegekende WW-uitkering geheel in mindering gebracht. Het hof zal haar daarin volgen. Daarbij wordt de kanttekening gemaakt dat de Hoge Raad weliswaar heeft aangegeven dat de toekenning van een WW-uitkering bij de begroting van de billijke vergoeding moet worden betrokken, maar dat dit niet betekent dat de uitkering altijd geheel moet worden afgetrokken. Immers indien een werknemer ander werk vindt maar dat ook weer kwijtraakt is de genoten WW-uitkering van belang voor de duur van de latere WW-aanspraken. Om tot een billijke vergoeding te komen ziet het hof in de door [geïntimeerde] zelf gehanteerde wijze van berekening (volledige ww-aftrek), maar gegeven de gemaakte kanttekening daarbij, aanleiding om geen verdere aftrek toe te passen voor de aan [geïntimeerde] toegekende transitievergoeding, die ook bij de berekening van de billijke vergoeding moet worden betrokken.’
(onderstreping toegevoegd, verschrijving in het origineel, SFS)
Terzijde: daar waar het Hof in bovenstaand citaat overweegt dat de Hoge Raad heeft beslist dat de rechter met WW-aanspraken rekening moet houden, is dat te streng. In de New Hairstyle-beschikking werd niet meer beslist dan dat met andere inkomsten rekening kan worden gehouden (zie hiervoor onder (ii).
- (xvi)
Ook in een eerdere uitspraak, uit 2018, had (dezelfde locatie van) het Hof Arnhem-Leeuwarden ook al beslist dat het niet redelijk zou zijn om de gehele WW-uitkering in mindering te brengen op de toe te kennen billijke vergoeding. In die zaak werd dat gemotiveerd met het — ook door Boot en Eibers in hun hiervoor onder (ix) aangehaalde bijdrage genoemde — argument dat het niet was uit te sluiten dat de werknemer er niet in zou slagen om tijdens de looptijd van de WW een nieuwe baan te vinden. Zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 11 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5383:
‘5.22
De kantonrechter heeft naar 's hofs oordeel de aan [verweerster] toegekende WW-uitkering terecht in aanmerking genomen. Bij de vraag of de WW-uitkering volledig in aanmerking genomen moet worden, speelt mee hoe groot de kans is dat [verweerster] gedurende de totale looptijd van de WW-uitkering in staat is een nieuwe baan te vinden. Het hof acht die kans aanzienlijk gelet op de stand van de arbeidsmarkt, maar het hof acht het niet terecht om het risico dat zulks toch niet lukt geheel op [verweerster] af te wentelen. Het hof zal daarom niet de WW-uitkering volledig in aftrek brengen. Het hof komt derhalve afgerond op een bedrag van € 16.000,-. als vergoeding voor gemiste inkomsten.’
- (xvii)
Zeer terughoudend in het in mindering brengen van WW-aanspraken op de billijke vergoeding, heeft ook het Gerechtshof Den Haag zich een aantal keren betoond. Te wijzen valt allereerst op een uitspraak van dat hof van 7 juli 2020, (ECLI:NL:GHDHA:2020:1123), waarin werd beslist dat er geen reden is om de WW-aanspraak in mindering te brengen op de berekening van de billijke vergoeding, omdat dat in feite zou neerkomen op een rechterlijke beloning op, of zelfs aanmoediging (‘incentive’) tot, ernstig verwijtbaar gedrag:
‘8.4
Zoals hiervoor overwogen, brengt het enkele feit dat APS [werknemer] heeft opgezegd in strijd met het bepaalde in 7:671 BW al met zich dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van APS. Dat moet APS in dit geval ook ernstig worden aangerekend, omdat zij met de aan [werknemer] aangeboden arbeidsovereenkomst de grenzen van het arbeidsrecht heeft opgezocht en deze op diverse fronten ook heeft overschreden. Dit geldt te meer, omdat APS zich afficheert als deskundige op het terrein van detachering en APS zich ervan bewust was, althans had moeten zijn, dat [werknemer] nimmer akkoord was gegaan met de arbeidsovereenkomst, indien hij zich had gerealiseerd dat hij (zoals APS het zag) een overeenkomst ondertekende die hem zelfs minder rechten gaf dan een uitzendovereenkomst. Op het moment dat [werknemer] APS daarop aansprak, heeft APS niet alleen aan haar (onjuiste) standpunt dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd vastgehouden, maar heeft zij [werknemer] ook (ten onrechte, zie hieronder) bedreigd met het invorderen van verbeurde boetes en het terugvorderen van salaris. Dit lijkt — zoals [werknemer] terecht heeft opgemerkt — op een wraakactie. Onder deze omstandigheden acht het hof het ongewenst dat APS zou profiteren van het feit dat [werknemer] een WW-uitkering heeft genoten. Dat zou immers een incentive vormen voor het door APS vertoonde ernstig verwijtbare handelen. Het hof ziet hierin aanleiding bij de vaststelling van de billijke vergoeding geen rekening te houden met het feit dat [werknemer] een WW-uitkering heeft genoten (te meer nu het de schadeloosstelling wel in mindering heeft gebracht). Gelet op het feit dat APS bij regelmatig ontslag ook de transitievergoeding en extra reservering verschuldigd zou zijn, bestaat er evenmin aanleiding deze bedragen op de schade in mindering te brengen.’
(onderstreping toegevoegd, SFS)
- (xviii)
In dezelfde lijn ligt een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 november 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:2051)
‘4.9
Prosperity heeft in het kader van haar vijfde grief aangevoerd dat het onwaarschijnlijk is dat de arbeidsovereenkomst nog tot 6 augustus 2021 zou zijn doorgelopen. Zij voert aan dat voor haar begin januari 2021 de maat vol was en dat de arbeidsovereenkomst hoe dan ookop korte termijn zou zijn beëindigd. Verder is zij van mening dat ook de transitievergoeding en de WW-uitkering op de billijke vergoeding in aftrek moeten komen.
(…)
4.11
Partijen zijn het erover eens dat bij de becijfering van de ‘waarde van het dienstverband’ van [verweerster] moet worden verdisconteerd dat [verweerster] een vergoeding voor onregelmatige opzegging ontvangt in verband met het onterechte ontslag op staande voet. Het hof ziet geen aanleiding om met het recht op een eventuele WW-uitkering rekening te houden bij de hoogte van de billijke vergoeding. Als Prosperity de arbeidsovereenkomst op juiste wijze had beëindigd, zou [verweerster] ook aanspraak hebben kunnen maken op een WW-uitkering, zij het dat deze dan een aantal maanden later zou zijn ingegaan. Ditzelfde geldt voor het recht op de transitievergoeding.’
Een zelfde argumentatie voor het afwijzen van het in mindering brengen van de WW-aanspraken op de billijke vergoeding, treft men aan in Hof Den Bosch 20 mei 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1479, rov. 3.14.
- (xix)
Ook in de kantonrechtspraak is inmiddels een aantal keren het in mindering brengen van WW-rechten op de billijke vergoeding van de hand gewezen. In een uitspraak van de Kantonrechter Leeuwarden — waarin net als in de onderhavige zaak een billijke vergoeding werd toegekend wegens ernstig verwijtbaar werkgeversgedrag bestaande in flagrante schending van re-integratieverplichtingen — werd dat gemotiveerd met het ernstig verwijtbare handelen van de werkgever. Dat verdiende in de ogen van de kantonrechter klaarblijkelijk geen beloning in de vorm van een afwentelen van de daardoor veroorzaakte schade op de WW-aanspraken van de werknemer. Zie Ktr. Leeuwarden 22 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1155:
‘5.20.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de WW-uitkering in mindering moet worden gebracht op een billijke vergoeding. FZ stelt dat dit het geval is, terwijl [verzoeker] heeft aangevoerd dat het in mindering brengen van de WW-uitkering er voor zorgt dat FZ in dat geval als het ware wordt beloond voor haar ernstig verwijtbare handelen en [verzoeker] zijn WW-uitkering zelf zal betalen.
De kantonrechter overweegt dat bij de bepaling van de billijke vergoeding, aldus de Hoge Raad, ook de WW-uitkering dient te worden betrokken. De Hoge Raad spreekt niet over aftrekken. In dit geval is er naar het oordeel van de kantonrechter geen reden de WW-uitkering van de hiervoor redelijk geoordeelde billijke vergoeding af te trekken gelet op het ernstig verwijtbaar handelen van FZ. De hoogte van de transitievergoeding (2,3 maandsalarissen) die [verzoeker] zal ontvangen geeft om diezelfde reden ook geen aanleiding tot een lagere billijke vergoeding.’
- (xx)
In een uitspraak van de Kantonrechter Roermond van 12 juli 2021 (ECLI:NL:RBLIM:2021:5538) wordt een interessante alternatieve invalshoek gekozen voor het afwijzen van aftrek van WW-aanspraken op de begroting van de billijke vergoeding. De kantonrechter oordeelde dat daarvoor geen ruimte bestond omdat onzeker is of die uitkering (definitief) zal worden toegekend door het UWV, nu het UWV daarin een zelfstandige afweging heeft te maken. Ook dat is een aansprekend argument voor terughoudendheid:
‘4.20
(…) Daarnaast heeft Jan Linders er op gewezen dat [verzoeker] een ww-uitkering zal ontvangen en dat deze inkomsten dus ook in mindering moeten komen op de loonderving. Het is echter niet zeker of een WW-uitkering zal worden toegekend nu het oordeel van de civiele rechter niet beslissend is voor de vraag of sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 24 lid 2 WW. Het UWV heeft een zelfstandige beslissingsbevoegdheid en kan ook zelf informatie inwinnen, onder andere bij Jan Linders. Het is dus ongewis of een werkloosheidsuitkering zal worden verstrekt. Dat is voor de kantonrechter aanleiding bij het vaststellen van de billijke vergoeding geen rekening te houden met een eventuele werkloosheidsuitkering voor [verzoeker].’
- (xxi)
Uit het voorgaande volgt dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door bij zijn begroting van de aan [de werkneemster] toekomende billijke vergoeding, die het Hof (op zich niet ten onrechte) heeft gebaseerd op de loonwaarde die het dienstverband nog voor [de werkneemster] zou hebben gehad wanneer het ernstig verwijtbare gedrag van Antonius dat tot de ontbinding heeft geleid, wordt weggedacht, klaarblijkelijk, maar ten onrechte, ofwel als regel te hanteren dat het steeds redelijk is om de mogelijke WW-aanspraken van [de werkneemster] over dat tijdvak dan (volledig) in mindering te brengen op die loonwaarde en daarmee op de hoogte van de billijke vergoeding, ofwel er in elk geval bij wege van vuistregel vanuit te gaan dat dat in beginsel redelijk is. Het Hof heeft aldus beslissende immers miskend dat (zeker wanneer de billijke vergoeding op die wijze wordt begroot), het in beginsel juist niet is aangewezen om op de billijke vergoeding, de WW-aanspraken van de werknemer in mindering te brengen. Daarop is de primaire rechtsklacht van onderdeel 1 als verwoord onder 16. toegesneden. Gaat die rechtsklacht niet op, dan heeft het Hof, met de klaarblijkelijk door hem gehanteerde regel dat het steeds redelijk is om WW-uitkeringen van de billijke vergoeding af te trekken, althans met de door hem gehanteerde vuistregel dat dat in beginsel redelijk is, in elk geval miskend dat het, zeker wanneer de billijke vergoeding wordt begroot op basis van de loonwaarde die het dienstverband na de ontbindingsdatum nog voor de werknemer zou hebben gehad wanneer het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever dat tot de ontbinding heeft geleid, wordt weggedacht, steeds afhankelijk is van de omstandigheden van het geval of de billijkheid vereist dat daarop de WW-uitkering over de periode waarop die hypothetische loonaanspraak ziet, in mindering wordt gebracht (zonder dat daarbij als vuistregel geldt dat zo'n aftrek in beginsel in de rede ligt). Daarop is de subsidiaire rechtsklacht van onderdeel 1 als hiervoor onder 16. verwoord toegesneden.
- (xxii)
De meer subsidiaire motiveringsklacht tot slot — als verwoord onder 17. — wordt aangevoerd voor het geval dat het Hof noch op grond van de primair voorgedragen rechtsklacht, noch op grond van de subsidiair voorgedragen rechtsklacht, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De beslissing van het Hof dat het ‘redelijk’ is om de WW-aanspraken van [de werkneemster] over het tijdvak van twee jaar dat haar dienstverband bij gebreke van het ernstig verwijtbare gedrag van Antonius in elk geval nog zou hebben voortgeduurd na de ontbindingsdatum, in mindering te brengen op de billijke vergoeding, is in dat geval onvoldoende — want in het geheel niet — gemotiveerd. Dat motiveringsgebrek klemt te meer tegen de achtergrond van hetgeen [de werkneemster] heeft aangevoerd ter onderbouwing dat zo'n aftrek hier een onredelijk resultaat te zien zou geven (waarop het Hof heeft verzuimd te responderen), alsmede vanwege de zeer aanzienlijke omvang van de door het Hof toegepaste aftrek op de billijke vergoeding.
6. Conclusie
18.
Op grond van dit middel verzoekt [de werkneemster] de Hoge Raad de beschikking waartegen het cassatieberoep is gericht te vernietigen, en verder te beslissen zoals hij passend acht.
19.
[de werkneemster] verzoekt verder dat Antonius wordt veroordeeld in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van de uitspraak.
Advocaat